Vakblad voor tandarts

Dit jaar verschijnt de honderdste jaargang van het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde (NTvT), temidden van ruim 500 internationale tandheelkundige vaktijdschriften, een van de oudste ter wereld. Binnen Nederland vormt dit blad, samen met de grote en oudere broers het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (1857) en het Pharmaceutisch Weekblad (1864) de oude garde onder de vaktijdschriften uit de sector van de gezondheidszorg.

Het is een interessante vraag waarom deze tijdschriften het zo lang hebben volgehouden en dat nog steeds doen. Want in het verre en recente verleden hebben een aantal voorgangers en jongere vaktijdschriften maar korte tijd bestaan. We denken dan aan tijdschriften die in de vorige eeuw verschenen en die intrigerende titels droegen, zoals "Kweekschool der Artsenijkunde', het "Nederlandsch Lancet', "Schei- en Artsenij-mengkundige Bibliotheek' of het "Tandheelkundig Maandblad'.

Ook de nog drie bestaande tijdschriften hebben kritieke tijden gekend en de commentaren op de redacties waren soms lang niet mals. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een verzuchting van een van de hoofdredacteuren van het NTvT uit maart 1920 waarin deze, onder de kop "Pro domo' schrijft "sommige geachte collega's, die ten deele wel, ten deele niet geregeld mede poogen het Tijdschrift te vullen en aldus, hetzij door de eene, hetzij door de andere literaire levenshouding, der redactie haar ambtelijk leven verzoeten, hebben geklaagd over inhoud, peil en toon van hun zoo daadwerkelijk of ook platonisch geliefd orgaan. Wij danken hen alle zeer'.

In de loop van de twee eeuwen is er voor de lezers van de drie tijdschriften weinig veranderd als het gaat om de redenen waarom zij hun vakblad ter hand nemen. De arts, apotheker of tandmeester uit de vorige eeuw en hun huidige beroepsgenoten lezen hun tijdschrift met exact dezelfde motieven: het dient al het wetenswaardigs te bevatten dat op de diverse gebieden is te vinden; het is de meest belangrijke informatiebron om op de hoogte te blijven van actuele ontwikkelingen binnen het vak en om met een 19de eeuwse pharmaceut te spreken, men kan door middel van zo'n tijdschrift "onder zijne kunstbroeders van zijne gevoelens doen blijken en als in de dagelijksche omgang met hen verkeren'. Alle drie vonden zij en vinden hun moderne collega's, zo blijkt uit recente lezersonderzoeken, het tijdschrift essentieel voor hun beroepsuitoefening. De redacties spelen, in samenspel met de uitgevers en hun adverteerders, in op dezelfde behoefte. Dat was toen en dat is nog steeds het geval.

De eerste editie van het Tijdschrift voor Tandheelkunde verscheen in maart 1894. Het tijdschrift zou standsbelangen moeten bevorderen en was, vooral bedoeld als verenigingsorgaan van de "Nederlandsche Tandmeestersvereniging', naast het nog steeds bestaande Tandheelkundige Genootschap een van de meest bekende wetenschappelijke tandheelkundige organisaties rond de eeuwwisseling. In de volgende 20 jaar blijkt binnen de tandheelkundige gemeenschap steeds meer behoefte te komen aan één onafhankelijk tijdschrift. In 1918 is dat het geval en wordt een nieuwe vereniging opgericht, "Tijdschrift voor Tandheelkunde' genaamd welke geen banden had met de toen aanwezige tandheelkundige organisaties. Deze vereniging nam de verantwoordelijkheid voor de uitgave op zich en in die toestand is tot op heden vrijwel niets meer veranderd.

Er zijn in de afgelopen 100 jaar voor zover nu is na te gaan maar zeven hoofdredacteuren geweest die het tijdschrift hebben geleid en, vooral de heren van voor de oorlog, bezaten grote vaardigheden om in zeer korte tijd teksten te schrijven wanneer er weer eens een groot gebrek aan kopij bestond. Jonge redacteuren kregen, tijdens hun proeftijd, van deze heren te verstaan, "dat taal een weerbarstig instrument' is en dat zij zich niet teneergeslagen behoorde te voelen als de zwarte inkt eens wat minder vlotjes uit hun pennen zou vloeien.

Vorige maand verscheen het jubileumnummer van de 100ste jaargang. Daarin wordt, door diverse auteurs aangegeven, hoe uit de drie hoofdactiviteiten van de 19de eeuwse tandmeester, te weten de conserverende tandheelkunde, de extractie en de tandprothese, de huidige tandheelkundige wetenschap zich in ons land heeft ontwikkeld. Verbazend is het hoe modern sommige vraagstellingen uit de eerste 20 jaar van deze eeuw waren en hoe men, op basis van louter empirie, tot veronderstellingen kwam die thans door gedegen wetenschappelijk onderzoek worden bevestigd. Enkele voorbeelden.

In 1924 wordt gemeld dat een Deense tandarts erin was geslaagd een tandreinigingsmiddel samen te stellen dat de concentratie kalkzouten in het speeksel verhoogde en daardoor re-mineraliserend op het aangetaste glazuur zou werken. Nu, in 1993, weten we dat de Deen inderdaad gelijk had. Want aangetoond is dat tandbederf ontstaat door een soort ontkalking van het tandglazuur. Wanneer een suikeroplossing de tandplak, het bacterielaagje op de randen van onze gebitselementen en ons tandvlees, binnendringt worden de suikermoleculen door bacterieën afgebroken. Bij dit proces worden zuren gevormd die het tandglazuur enigszins poreus maken. Wanneer al het suiker is verbruikt wordt het nog aanwezige zuur, voor een deel, geneutraliseerd door mineraal-ionen uit het speeksel. Deze ionen slaan daarna neer op het licht aangetaste glazuur, dat zich daarna gaat herstellen.

Een ander voorbeeld. Over de oorzaak van het ontstaan van tandvleesontstekingen wordt in de eerste jaren van het tijdschrift al driftig gespeculeerd. In 1895 acht een tandarts uit Deventer reeds micro-organismen verantwoordelijk voor de aandoening, een intuïtieve constatering die tientallen jaren later bewaarheid zal worden. Eén van de auteurs, uit het jubileumnummer, stelt vast dat veel van de huidige kennis op het gebied van de restauratieve tandheelkunde, vooral op het terrein van het aanbrengen van kronen en bruggen, weliswaar nog weinig wetenschappelijk gefundeerd, al bij onze voorvaderen aanwezig was. Zo wijst een schrijver uit 1896 op de desastreuze gevolgen van slecht aansluitende randen van kronen voor het tandvlees en een andere, uit 1914 geeft aanwijzingen hoe men kronen moet prepareren zodat, om esthetische redenen, porselein kan worden aangebracht. Goed beschouwd zijn deze kronen de voorlopers van de huidige kronen met opgebakken porselein, die thans gerust technische hoogstandjes kunnen worden genoemd.

En een laatste voorbeeld. In 1903 bepleit een auteur de halfjaarlijkse controle van het gebit van kinderen van 3 tot 16 jaar. En hij raadt aan dat tandheelkundigen zich zowel in hun tandartsenpraktijken als via de overheid intensief en continue moeten bezighouden met voorlichting. Er moet voorlichtingsmateriaal komen over het belang van mondhygiëne dat via scholen moet worden verspreid. Toen had men dus al aanwijzingen dat preventie binnen de tandheelkunde zeer belangrijk is voor het behoud van het gebit. Nu, aan het einde van deze eeuw, is de mondhygiëne bij de jeugd nog steeds problematisch te noemen en zijn de pleidooien van deze auteur uit 1903 nog even actueel.

Het heeft NTvT de afgelopen honderd jaar een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van de tandheelkundige wetenschappelijke kennis in ons land. Gehoopt mag worden dat, ondanks de grote internationalisering van wetenschappelijke gegevens, er steeds auteurs bereid zullen blijven artikelen in dit bijzondere Nederlandse vaktijdschrift te willen schrijven.