Straf en bedrog

Belastingen moeten de schatkist spekken. Toch kunnen regeerders nooit de verleiding weerstaan met de belastingheffing ook doelen na te jagen die niets te maken hebben met het rechtvaardig verdelen van de overheidslasten.

Strafheffingen zijn een geliefd instrument om het gedrag van burgers een gewenste richting uit te sturen. De slachtoffers van die bemoeizucht hebben steevast de neiging zich met list en bedrog aan de staatsdwingelandij te onttrekken. Een enkele keer winnen ze die strijd. Dat was het geval bij de speelkaartenbelasting. Sommige bejaarden kennen hem nog. Anderen moeten er voor naar het museum. Dat is overigens geen verloren tijd.

Het kaartspel stamt uit het China van de zevende eeuw en kwam via de islamitische wereld in de 14e eeuw in Europa terecht. Daar kwam het in een kwalijke reuk te staan doordat verwoede spelers huis, haard en vrouw verspeelden. In eerste instantie reageerde de overheid, opgestookt door de kerk, met een verbod van het kaartspel. Die aanpak mislukte jammerlijk en al snel maakten de heersers van de nood een deugd door een speelkaartenbelasting in te voeren. In Nederland gebeurde dat in de Gouden Eeuw. De schoppenaas kreeg een belastingstempel opgedrukt.

Kaartspelen moesten aanvankelijk op het belastingkantoor worden gekocht. Het was te voorzien dat verknochte kaartspelers goedkopere leveranciers zouden vinden. De overheid kwam met een tegenzet. Iedere burger die illegale spelers signaleerde was verplicht hen bij de fiscus aan te geven. Wie dat deed kreeg een beloning, wie dat naliet een boete. Maar het lukte gewiekste spelers een vals stempeltje op een illegale schoppenaas te fabriceren. Het gezag liet dat niet op zich zitten en verklaarde het vervalsen van de schoppenaas tot een misdrijf. Als straf was voorzien: geseling, brandmerking, eenzame opsluiting voor 25 dagen, gevolgd door eeuwige verbanning. Barbaars, maar ontoereikend.

In de strijd tegen vervalsing ging men de officiële schoppenaaskaarten voorzien van een kunstig lijnenspel, dat alleen met verfijnde druktechnieken kon worden nagemaakt. Te hoge belastingen gecombineerd met effectieve fraudebestrijding betekenden evenwel de dood in de pot voor de kaartenmakers. Die waarschuwden in protestbrieven voor de nadelige effecten op de werkgelegenheid. Bovendien vonden zij het een "schreeuwende onrechtvaardigheid' dat de "schaamlen arbeidsman' voor zijn ontspanning "even zoveel Impost moet betalen als den Millionair'.

Het mocht allemaal niet baten. De belasting bleef bestaan, maar de ontduiking ook. In de strijd tegen de fiscus bereiken sommigen hun hoogste creativiteit. Tot de simpele methoden behoorde het lang met oude kaarten doorspelen. Om de kaartenmakers en de fiscus niet te kort te doen, kwam er dus een verbod op het spelen met oude kaarten. Vervolgens werd een straf gesteld op de handel in gebruikte kaarten; een geliefde schnabbel van dienstboden. Ook de legale kaartenmakers moesten in de gaten worden gehouden. Zij werden verplicht met gezegeld papier te werken terwijl het aantal misdrukken aan een ambtelijk vastgesteld maximum was gebonden. Omdat ook dat geen oplossing bood, kwam het hier en daar zover dat de belastingdienst zelf kaarten ging drukken en alleen het inkleuren nog voor de kaartenmakers overliet. Die zochten een uitweg in het misbruiken van een vrijstelling die voor "kinderkaarten' in het leven was geroepen. Het ging om speelkaarten van een miniformaat, waarmee volwassenen onmogelijk een lekker kaartje konden leggen. Als slimmigheid drukte men de belastingvrije minikinderkaart af op een blanco kaart van het normale formaat. Het resultaat is een bruikbaar belastingvrij kaartspel dat overigens prompt werd verboden.

Het kat-en-muis-spel tussen fiscus en kaartspeler duurde in Nederland tot 1927. Toen deed een niet te stuiten massale smokkel uit België de speelkaartenbelasting de das om. Die smokkel was beslist lucratief. Een spel kaarten kostte, omgerekend naar guldens van vandaag, 13,50 gulden. Daarvan gingen er twaalf naar de fiscus. Andere landen hielden de ongelijke strijd tegen smokkel en fraude langer vol. Duitsland kende tot 1981 een speelkaartenbelasting, terwijl de Denen die pas in 1990 afschaften.

Tot 1 mei heeft het Belastingmuseum in Rotterdam een tentoonstelling over speelkaartenbelastingen. De toegang van het museum aan de Parklaan 14 is gratis; een begeleidend boek bij de expositie kan men er voor 50 gulden kopen.