Spannend orgelrecital van Piet Kee

Concert: recital door Piet Kee op het gerenoveerde orgel. Programma: Mendelssohn, Schumann, Brahms, Franck, Andriessen, Hindemith, Alain, Messiaen, improvisatie. Gehoord: 7/4 Concertgebouw Amsterdam. Radio-uitz.: 20/4 Radio 4 NCRV.

Trap op, trap af in het volle oog van het publiek: het is wel wennen zo'n eerste recital voor een organist in het Concertgebouw. Maar Piet Kee overwon gisteravond niet alleen hoogteverschillen, ook vooroordelen. Hij bewees, dat het gerenoveerde Maarschalkerweerd-orgel ook buiten de orkestpraktijk bestaansrecht heeft.

Het was een spannende avond: de akoestiek verbloemde niets en Kee ging de risico's niet uit de weg. Hij begon met Mendelssohns tweede sonate (1845) in uiterst rappe tempi. De registraties overtuigden, maar het soort (barok)legato dat Kee hanteerde, met de noten ietsje los van elkaar, werkte hachelijk in deze zaal. In het allegro maestoso legde Kee bovendien accenten, die de strakke lijn van zijn betoog geweld aandeden.

Mendelssohn markeerde dan ook een grens. Een ”authentieke' aanpak past bij deze componist, maar niet bij dit orgel. Het was duidelijk waarom Kee Bachs toccata in d-klein van het programma had afgevoerd: een vertolking van deze muziek zou op een karikatuur zijn uitgelopen.

Schumanns derde Bachfuga (1845) bood meer aanknopingspunten. Kee liet het stuk zangerig opbloeien, niet alleen door subtiel met de zwelkast te werken, ook door het verschil tussen nauwe en wijde pijpenkoren suggestief uit te buiten. En bij O Gott du frommer Gott (1896) van Brahms werden prestanten en fluiten fraai tegen elkaar uitgespeeld.

Het meest idiomatisch klonken Francks fantasie in A (1878) en de Sonata da chiesa (1937) van zijn navolger Hendrik Andriessen. Voorgeschreven geluiden lagen hier voor het oprapen. Verrassend fundamenteel werkten Francks tremoli, die trouwens oorspronkelijk bestemd waren voor de akoestiek van een feestzaal in Parijs. En de hoge f van het tweede thema leek ook in deze onkerkelijke omgeving van ver boven de wolken te komen.

De neo-barokke speels-gebonden orgelbewegingen van Hindemiths sonata II (1937) konden goed op het Amsterdamse orgel vertaald worden. De oostwaarts hunkerende luchtspiegelingen van Jehan Alain daarentegen verstarden toen ze akoestisch werden drooggelegd. De tweede fantasie (1936) kreeg mooie kleuren, maar ze vielen als los zand uit elkaar. In de hoge liggingen van Le jardin suspendu (1934) werd de aandacht meedogenloos afgeleid door een kleine, maar oneigenlijke, zweving.

De muziek van Messiaen vraagt wierookgeur, wijding en gewelven, maar Kee wist de Joie et clarté des corps glorieux (1939), uit de context gelicht, tot een heel plezierig aards feest om te toveren - waarbij sommige passages griezelig ordinair klonken.

Kee kreeg na elk stuk applaus. Meestal boog hij naast de speeltafel, maar na langere onderdelen daalde hij de orgeltrap af om op het kale podium voor de bijval te bedanken. En een paar maal ging hij zelfs zo ver, de lange trap naar achter de coulissen weer te beklimmen waarbij de deuren achter hem sloten. De laatste keer zag dat er zo definitief uit, dat het publiek massaal de uitgang opzocht. Zodat velen de vrolijke improvisatie, met de tune uit Saint-Saëns' orgelsymfonie, niet meer hebben gehoord. En al helemaal niet de anonieme toegift die Kee nog wilde geven: een dansant middeleeuws liedje, een estampie als je het mij vraagt.