Nog te vroeg voor het omroepmuseum

Volgens de voorzitter van de NCRV, mr. A. Herstel, heeft de EO “binnen ons publieke bestel een, ook op hoog niveau erkende, uitzonderingspositie weten te verwerven met zijn isolationistische opstelling” (NRC Handelsblad, 23 maart).

Op twee punten is deze stelling in strijd met de werkelijkheid. De EO probeert een actieve rol te spelen bij de totstandkoming van belangrijke NOS-bestuursbesluiten. Het Meerjarenplan radio/televisie 1993-1996 kreeg de inhoud die het heeft, mede dankzij een groot aantal wijzigingsvoorstellen van de EO. Bij de herziening van de bestuurlijke organisatie had de EO zelfs het voortouw. De EO gedraagt zich in het NOS-bestuur dus niet isolationistisch. De EO heeft zich loyaal geschikt in de uitvoering van het Meerjarenplan radio, ondanks het feit dat de vrije programmeringsmogelijkheid van de omroepen daarin werd beperkt.

In tegenstelling tot de NCRV startte de EO geen beroepsprocedure. Op Radio 1 en 4 doet de EO volop mee aan uitvoering van de afspraken over horizontalisering en stroomlijning. Waar nodig met het oog op kwaliteit en service aan de luisteraars en waar mogelijk, gelet op de eigen identiteit, werkt de EO mee aan gezamenlijke projecten.

Op Radio 2 zet de EO zich met anderen in voor een scherpere profilering van deze zender, teneinde de dramatische daling van het marktaandeel van de landelijke publieke radio tot staan te brengen. Op Radio 3 heeft de EO uit respect voor het vastgestelde zenderprofiel met minder uren genoegen genomen, en zich geschikt in plaatsing van deze uren op de avond. In een recent evaluatierapport van de zendercoördinator kreeg de EO-programmering op deze zender de nodige lof toegezwaaid. Ook op radio is de EO niet isolationistisch.

Op de televisie heeft de EO zich eveneens nadrukkelijk ingezet voor het geheel.

EO-medewerkers spelen een actieve rol in NOS-commissies en -werkgroepen. Op Nederland 2 spant de EO zich in om - met behoud van de eigen identiteit - met zijn programma's zoveel mogelijk kijkers te trekken. Terwille van het gezamenlijke marktaandeel heeft de EO de aantrekkelijke donderdagavond voor het komende seizoen ingeruild voor de minder aantrekkelijke zaterdagavond. Mede om dezelfde reden heeft de EO gekozen voor wat meer late-avond-zendtijd en wat minder zendtijd op prime time.

Er is ook geen “op hoog niveau erkende uitzonderingspositie” die de EO zou hebben verworven en waarbij wat van "normale' omroepen wordt geëist (onder andere intensieve samenwerking en het behalen van een bepaald marktaandeel) voor de EO volgens Herstel niet bindend wordt geacht. De werkelijkheid is ook hier anders. In het Meerjarenplan televisie 1992-1995 werd inderdaad erkend dat de positie van de EO op Nederland 2 een bijzondere is. En wie vindt dat eigenlijk niet? Zijn er grotere verschillen denkbaar dan tussen de EO enerzijds en TROS en VOO anderzijds? Dat de EO in die curieuze positie terechtkwam, is overigens geen vrije keus geweest, maar het resultaat van de beslissing van NCRV en KRO, om de EO niet langer op Nederland 1 te dulden. Iemand buiten de deur zetten en vervolgens klagen dat die persoon een uitzonderingspositie heeft, is toch wat merkwaardig.

In het recent vastgestelde Meerjarenplan radio/televisie 1993-1996 is overigens van een uitzonderingspositie van de EO geen sprake meer. Terecht wordt gesignaleerd dat de bijzondere positie van de EO op Nederland 2 zorgvuldig moet worden gewogen. Maar het recht van de EO om op grond van identiteitsoverwegingen nee te zeggen tegen bepaalde vormen van samenwerking is nu nadrukkelijk uitgebreid tot alle omroepen. Voor iedere omroep geldt nu de bepaling: “De samenwerking die slechts betrekking heeft op een net vindt haar grens in de identiteit van iedere daarop opererende zendgemachtigde, voor zover die naar hun oordeel in het geding is” (Meerjarenplan r/tv 1993-1996).

Niet alleen de EO, maar ook de NCRV kan zich hierop beroepen als de eigen identiteit in het gedrang komt. Zoals wanneer andere omroepen Radio 1 op de piekuren willen omsmeden tot een soort nationale nieuwszender, waar de identiteit van de afzonderlijke omroepen bij nieuwsselectie en -becommentariëring niet meer te horen mag zijn.

De EO bepleit dan geen "status aparte' zoals beweerd wordt, maar claimt het onvervreemdbare recht (dat als één van de pijlers van ons omroepbestel tevens een plicht is) om de eigen identiteit duidelijk in de programma's tot uitdrukking te laten komen. Daar vindt elke samenwerking haar grens.