Na oude schoolstrijd dreigt een nieuwe

PvdA en CDA komen steeds dichter bij elkaar in hun standpunten over openbaar en bijzonder onderwijs. De oude "schoolstrijd' raakt uit de tijd. Maar een nieuwe dreigt: die tussen ouders en andere direct betrokkenen en het leger bestuurlijke professionals dat het onderwijs dreigt te domineren.

Weer staat in het CDA de verhouding openbaar en bijzonder onderwijs ter discussie. Het gaat om twee kwesties: hoever mag de samenwerking tussen beide soorten onderwijs gaan en hoe dient de verhouding tot de gemeentelijke overheid te zijn. Blijkens de "Nieuwsanalyse' in NRC Handelsblad van 31 maart woedt de schoolstrijd over deze zaken nu eens niet tussen confessionele en niet-confessionele partijen, maar binnen het CDA: in deze partij heerst interne verdeeldheid.

Met betrekking tot de eerstgenoemde kwestie was in CDA-kringen enkele jaren geleden de stelling te vernemen dat alle openbare scholen maar privaatrechtelijk georganiseerd moesten worden. Dat zou definitief een einde maken aan de dubbelrol van de gemeentelijke overheid, namelijk die van bevoegd gezag van het openbaar onderwijs en instandhouder (of misschien zelfs: promotor) van al het onderwijs ter plaatse. Dat standpunt is inmiddels verlaten, zoals blijkt uit een begin dit jaar verschenen nota van de fractie van het CDA in de Tweede Kamer over "Maatschappelijke decentralisatie in het basis- en voortgezet onderwijs'.

Volgens de huidige CDA-visie is het onjuist openbare scholen in stichtingen te organiseren. Wijselijk beroept men zich daarbij op politieke argumenten, zoals de wenselijkheid van een duidelijke band tussen gemeente en openbaar onderwijs. Er zijn namelijk geen overwegende juridische bezwaren aan te voeren tegen een privaatrechtelijke organisatie van het openbaar onderwijs, ook niet op basis van het zo gekoesterde onderwijsartikel in de Grondwet. Toch heeft een keuze voor privaatrechtelijk bestuurd openbaar onderwijs verstrekkende juridische problemen ten gevolge waarbij het grondwetsartikel onvermijdelijk in stelling gebracht zal worden. Dit geldt vooral wanneer getracht wordt openbare en bijzondere scholen te laten opgaan in een samenwerkingsstichting.

Juridisch gezien is het niet zo eenvoudig een publiekrechtelijk geregelde openbare school in een nauwe relatie te brengen met een privaatrechtelijke bijzondere school. In het begin van de jaren zeventig heeft een toenmalige staatssecretaris voor de KVP, Schelfhout, de realisering van een tussenvorm bepleit - het tertium - waardoor zo'n nauwe relatie wèl gerealiseerd zou kunnen worden. Het heeft hem veel politieke ellende bezorgd.

Een grondwettelijk bezwaar van toen zal nu ongetwijfeld weer opgevoerd worden: de Grondwet kent alleen openbaar en bijzonder onderwijs. Daar is weinig op af te dingen als het gaat om onderscheiden verantwoordelijkheden voor en kenmerken van beide takken van onderwijs. Zo is de gemeente verantwoordelijk voor het in stand houden van gemeentelijke openbare scholen. Maar verder laat de grondwetgever in het midden in welke organisatorische kaders het openbaar en bijzonder onderwijs wordt geïnstitutiona- liseerd. Met andere woorden, artikel 23 van de Grondwet sluit niet uit dat een gemeente openbaar onderwijs onder bepaalde juridische voorwaarden in een samenwerkingsstichting met het bijzonder onderwijs onderbrengt.

In de PvdA zijn van oudsher sterk ideologische argumenten aangevoerd voor de publiekrechtelijke beheersvorm. Dat zou de beste garantie zijn voor een democratisch gecontroleerd onderwijsbestuur. Toen het lid van de Tweede Kamer Wallage in 1982 pleitte voor een gekozen "Raad voor het openbaar onderwijs', leverde hem dat de nodige kritiek op: daarmee werd het integrale lokale bestuur ondermijnd. De politieke situatie is nu geheel anders. Ook in de PvdA zijn de bezwaren tegen privaatrechtelijk georganiseerd openbaar onderwijs nagenoeg verstomd en heeft de discussie over functioneel bestuur de wind in de zeilen. Voor de realisering van sociale vernieuwing bijvoorbeeld was het ook voor PvdA-politici noodzakelijk het openbaar onderwijs op afstand van de gemeente te zetten.

Al met al komen de standpunten van PvdA en CDA over de plaats van bijzonder en openbaar onderwijs, ten opzichte van elkaar en in relatie tot de gemeentelijke overheid, verbluffend dicht bij elkaar. Eindelijk heeft men het in die partijen over dezelfde knelpunten in de bestuurlijke organisatie van het onderwijs waarbij oplossingen worden gezocht in ongeveer dezelfde richting, namelijk meer zelfstandigheid van scholen, ook om onderling samen te werken, en een andere rol voor de gemeentelijke overheid, meer als overheid, minder als bevoegd gezag.

Dat is al een reuzenstap in het licht van de sinds 1917 aanhoudende strijd over de onderwijspacificatie, waarin tot voor kort een defensieve interpretatie van het grondwetsartikel over onderwijs overheerste ten koste van een meer open benadering. Zeker, er is wel discussie tussen stromingen in beide partijen waarin oude strijdpunten over met name de beleidsrol van de gemeente als lokale overheid opgehaald worden. Maar het is misplaatst om daarover te spreken in termen van "schoolstrijd': de strijd om de autonomie en gelijkwaardigheid van openbare en bijzondere scholen is namelijk niet (meer) aan de orde.

De ironie van de geschiedenis is dat nu CDA en PvdA eindelijk tot een werkelijke vernieuwing van de beheersstructuur van het lokale onderwijs kunnen komen, zij een andere dreiging over zich afroepen. Meer autonomie van het onderwijs en bestuurlijke schaalvergroting passen niet automatisch goed bij elkaar. Nog niet zo lang geleden was onderwijs ook een zaak van ouders en andere betrokkenen: het werd vaak als een maatschappelijke taak gezien om bijvoorbeeld aan het bestuur van een onderwijsinstelling deel te nemen, of hand- en spandiensten te verlenen bij onderwijsactiviteiten. Dat sloot ook aan bij de opvatting dat onderwijs staat en valt met betrokkenheid van ouders en andere opvoeders en belanghebbenden. De schaalvergroting (en daarmee samenhangende beleidsvoering) heeft echter een professionalisering tot gevolg, waarin gewone burgers steeds moeilijker passen.

Bij voorgenomen onderwijsveranderingen reizen gezelschappen van vakbonden, besturenbonden, VNG en ministeries het land rond om ouders en bestuurders uit te leggen hoe de belangrijke ontwikkelingen begrepen en gerealiseerd moeten worden. Dat wil niet zeggen dat de besturen daarbij zelf een grote rol spelen: regionale of zelfs landelijke administratiekantoren voeren de boekhouding van vele scholen, en voelen zich niet ongemakkelijk bij de gedachte dat de boekhouding veel beleid omvat.

Gewone burgers zijn te zeer amateur om nog in een schoolbestuur mee te kunnen: niet zelden zijn het onderwijsgevenden in de vut die de interesse en inzet kunnen opbrengen die nodig is voor het gecompliceerde bestuurlijke werk. Is dàt niet de aanloop naar een introvert schoolsysteem, gedomineerd door een nieuw leger van professionals die weten wat besturen is en de weg kennen in een onderwijswereld met steeds meer nieuwe regels in en rondom de school? Leidt dat wellicht weer tot een schoolstrijd, met nieuwe coalities: ouders, leerlingen, andere betrokkenen én de overheid, tegen de professionals?