Melkdoppen open pikken leren mezen van elkaar

In zijn boek "The Presence of the Past' - en ook in het gesprek met Wim Kayzer - besteedt Sheldrake aandacht aan merkwaardig gedrag van pimpelmezen. In Groot-Brittanië en later ook in Nederland pikten de mezen in de jaren vijftig melkdoppen open om de room van de (toen nog slecht gehomogeniseerde) melk op te slurpen. Niet alleen pimpelmezen vertoonden dit gedrag maar ook koolmezen en grote bonte spechten. Het gedrag zou zich verspreiden via een "morfisch veld' dat sterker wordt naarmate meer vogels het kunstje kennen.

In de theorie van Sheldrake zijn natuurwetten onderhevig aan verandering. Een gevolg ervan is dat diergedrag spontaan kan veranderen, niet doordat dieren iets van elkaar afkijken, maar doordat meer dieren hetzelfde doen, waardoor een soort "veld' ontstaat dat nog meer dieren ertoe aanzet zo te handelen.

Sheldrake beschouwt onderzoekgegevens aan melkdop openende mezen als een sterke aanwijzing voor zijn theorie over vormvelden en morfische resonantie. Tegen Wim Kayzer spreekt hij over gegevens die onder het stof verzeild geraakt zijn omdat er geen goede verklaring voor bestond. Vreemd genoeg staat in Sheldrake's boek een tekening van een melk snoepende pimpelmees uit een ethologisch leerboek van R.A. Hinde uit 1982 - zo stoffig en vergeten zijn die gegevens dus niet.

Een rondje vragen onder de Nederlandse mezenonderzoekers Hans van Balen, Piet Drent en Joost Tinbergen leert dat er onder hen weinig behoefte is aan een nieuw verklarend principe voor het melkdoppen-openmaak-gedrag. De verklaringen die R.A. Hinde en J. Fisher gaven in "British Birds' in 1949 en 1951, gelden nog steeds: het is gewoon leren door afkijken. Door aanvullend onderzoek daarna zijn deze alleen maar waarschijnlijker geworden. Men heeft bepaald niet het gevoel dat het hier gaat om een mysterieuze versnelling in het leergedrag die vraagt om een nieuwe theorie.

In zijn boek zegt Sheldrake dat het gedrag minstens 89 keer spontaan, dus zonder "afkijken' van andere vogels is geleerd. Fisher en Hinde melden voorzichtig dat 89 keer dit gedrag werd waargenomen bij mezen die 24 kilometer verwijderd waren van de meest nabije andere waarneming van dit gedrag. Sheldrake heeft er belang bij te benadrukken dat het om spontaan gedrag gaat, zonder direkt contact tussen de vogels.

Hierop valt door later ringonderzoek nogal wat af te dingen. Mezen verplaatsen zich gemakkelijk over tientallen kilometers. Immers, 's winters concentreren zij zich in steden en dorpen, maar zij broeden het liefst in omliggende bossen. Volgens Hans van Balen verplaatsen jonge koolmezen zich soms over honderden kilometers. In Nederland geringde koolmezen worden jaarlijks in Oost-Europa gevangen.

Ook in Nederland begonnen in de jaren vijftig mezen melkdoppen open te pikken. Dat is geen bewijs voor het bestaan van morfogenetische velden, "maar', aldus Drent, "er zijn hele sterke aanwijzingen dat kool- en pimpelmezen van het continent naar Engeland gaan en terug.'

Mezen leren snel van elkaar. Er zijn experimenten gedaan waarbij mezen gedrag immiteerden van soortgenoten die ze konden zien in nabij geplaatste kooien. Maar ook al zou het gedrag steeds opnieuw ontstaan, dan nog zijn daar goede verklaringen voor, vindt Piet Drent.

Hij vergelijkt het mezengedrag met het gedrag van grote bonte spechten die nestkasten openhakken. Deze vernielzucht sluit aan bij hun natuurlijk gedrag. Ze horen jonge vogels. 'Denken' dat ze te doen hebben met grote insektelarven onder boombast en gaan vervolgens aan het werk. Zij verwijderen met hun stevige snavel het tussenliggende hout, dat ze als schors beschouwen. Zowel de spechten als de mezen associëren snel een duidelijk herkenbaar voorwerp (nestkast, melkfles) met voedsel en eenmaal dit geleerd, gaan ze aan de slag volgens een geijkt gedragspatroon.

Het openpikken van melkdoppen lijkt voor buitenstaanders een ingewikkelde, onnatuurlijke handeling maar dat is het niet. ""Het kapot maken van iets waarvan de mees weet dat het met voedsel te maken heeft is volstrekt natuurlijk gedrag'' zegt Drent. ""Neem een beukenoot. De vogel pikt het aan, weet dat er voedsel onder zit en gebruikt het aangepikte beginnetje als plaats om met één rukbeweging het hele vlies weg te trekken''. ""Dit gedrag kunnen jonge koolmezen die met de hand zijn opgevoed vrij snel leren, dus zelfs zonder het gezien te hebben. Wel gaat het sneller als ze het anderen zien doen''.

Het openen van melkdoppen is op die manier heel verklaarbaar. Net als het vandalistisch gedrag van spechten komt het steeds opnieuw ergens voor, verdwijnt het en doet zich daarna weer heel ergens anders voor. Omdat het aansluit bij natuurlijke gedragingen is het helemaal niet zo geheimzinnig dat het steeds opnieuw ontstaat. Hiervoor is geen nieuwe theorie noodzakelijk.