Kostuumverzamelaars zijn zotten

Jakjes uit de achttiende eeuw, jurken met queue, corsetten en modestietjes: ze verlaten zelden het depot. Historische kleding is het stiefkindje van de Nederlandse musea. Gelukkig kan de liefhebber voor een college kostuumgeschiedenis of een leuke verkleedpartij terecht bij particuliere verzamelaars.

Informatie over bezichtiging van de hierboven genoemde particuliere verzamelingen is te verkrijgen bij:

Jacoba de Jonge, Inl 033 - 615884; Hans van Emmerik, Inl 030 - 733720; Marjan Conrads, Inl 03403 - 72006

De expositie van 17de en 18e eeuwse kleding in Museum Paul Tetar van Elven in Delft is vanaf 8 mei te zien. Inl. 015 - 124206 of 602358 De voormalige collectie van Fred van der Laken wordt in het najaar gedeeltelijk geexposeerd in Historisch Museum het Schielandhuis in Rotterdam. Inl. 010 - 4334188.

'Een schande', 'doodzonde' en 'diep triest'. Nederland heeft geen volwaardig kostuummuseum en het wordt hoog tijd dat het dat krijgt, is de mening van iedereen die ook maar iets met kostuumgeschiedenis te maken heeft. Het Kostuummuseum in den Haag werd opgenomen in het Haagse Gemeentemuseum waar het onder ex-directeur Rudi Fuchs langzaam wegkwijnde. Eigenlijk wilde hij de collectie kwijt maar dat ging dankzij luide protesten van textielminnend Nederland niet door. De verzameling _ een zeer complete, zelfs naar internationale maatstaven _ wordt helaas niet geexposeerd. Slechts sporadisch verlaat een enkel kledingstuk het depot. Het Utrechtse kostuummuseum van de particuliere verzamelaar Fred van der Laken viel min of meer hetzelfde lot ten deel. Het werd onlangs opgeheven en de collectie verhuisde naar Historisch Museum het Schielandhuis in Rotterdam. Daar is de expositieruimte te beperkt om een goed overzicht te geven.

“Wat kun je nu met een oud kostuum doen? Je trekt het niet aan en je kunt het niet neerzetten,” verklaart Irene Groeneweg, docente kostuumgeschiedenis aan de Universiteit van Leiden. “Kostuums zijn altijd min of meer door zotten verzameld, met een eigenaardige belangstelling voor menselijk gedrag.” Binnenkort is in Delft een tentoonstelling van zeventiende en achttiende-eeuwse kleding te zien die door Groeneweg en haar studenten werd gered van een wat stoffig bestaan in het museum Paul Tetar van Elven. In de vijftiger jaren kon het nog voorkomen dat de kostuumcollectie van dit kleine Delftse museum door modellen werd geshowd. Hetzelfde gebeurde in die tijd met kostuums van het Haags Gemeentemuseum. Een handelwijze die funest is voor oude kledingstukken. Volgens Groeneweg pakt men tegenwoordig alles met zijden handschoenen aan. Het restaureren van een kostuum kost al gauw ettelijke duizenden guldens.” Niet alleen gaat men de laatste vijfentwintig jaar zorgvuldiger om met historische stukken, ook de belangstelling voor het verzamelen van kleding nam in diezelfde periode toe.

Jacoba de Jonge uit Amersfoort begon in 1959 met het aanleggen van een collectie, die vandaag de hele kelder van haar woning beslaat. In de kostuumkelder van De Jonge staan twee apparaten te brommen. Ze moeten het vocht weghouden uit vier rekken met japonnen en wanden vol kleine kastjes met schoenen, corsetten en modestietjes (befjes). De verzameling beslaat de achttiende en negentiende eeuw en bestaat uit kleurige zijden bloemenjurken en jakjes van voor 1800 _ ook heren zagen er toen nog fleurig uit _, eenvoudige, lichtgekleurde empirejurken en de ingewikkelde, veelgelaagde uitmonsteringen van het eind van de vorige eeuw. “Stukken die dateren van voor 1780 zijn er bijna niet, ook niet in musea. Daarvoor is textiel te kwetsbaar,” aldus De Jonge.

Van enkele stukken is nauwelijks te bevatten dat ze als kleding gediend hebben. Zo is er een van middel tot tenen reikende holle constructie van ijzerdraad en stof. Een queue, zo blijkt. Voor alle geklede jurken van voor 1910 geldt eigenlijk dat je er zelf niet in en uit kunt komen. Toch moeten mensen zich daar ooit normaal en zelfs prettig in gevoeld hebben. “Dat vind ik het fascinerende ervan. Dat je je bijna niet kon bewegen in zo'n jurk betekent ook dat je zonder met je houding heel ongelukkig bent.” De Jonge heeft geen dure topstukken in haar collectie. Zij wil een zo compleet mogelijk overzicht geven van de kostuumgeschiedenis. Ze geeft lezingen, en een cursus bij haar thuis. “Mensen aankleden is heel moeilijk omdat de gemiddelde maat in de vorige eeuw rond de 34 lag. Maar ik vind het wel belangrijk dat je iets doet met je collectie.”

Verzamelaar Hans van Emmerik bezit een zeer kostbare collectie kledingstukken uit de periode 1900 tot 1950, de tijd die volgens hem de meeste vernieuwing in de mode bracht. Van Emmerik is vooral genteresseerd in kleding die een raakvlak heeft met de kunststromingen in de periode. Zo heeft hij Jugendstil- en Art Deco-jurken, kleding vervaardigd door de Wiener Werkstatte en stukken van bekende couturiers als Jeanne Lanvin. “Het leuke van die tijd is dat er een absoluut modedictaat heerste. Je kon je alleen kon onderscheiden in de kwaliteit. De stoffen van toen, de lames bijvoorbeeld, zijn vrijwel niet meer te krijgen.” Van Emmerik heeft alleen 'winkelnieuwe' spullen in zijn collectie. “Iedere draad die niet origineel is gaat er uit.” Exposeren kan hij niet. “Ik heb jurken van drie kilo, bezet met duizenden kralen. Als ik die op een hanger doe, vallen ze er na twee jaar af.”

Marjan Conrads houdt er een heel andere opvatting op na over wat een kledingcollectie moet zijn. Zij heeft een verzameling mode van de twintigste eeuw van meer dan dertienhonderd stuks. Het meeste ligt op de zolder, maar in een speciaal voor de collectie gemaakte uitbouw aan haar huis in Houten, houdt ze wisselende tentoonstellingen en ontvangt ze gezelschappen voor een “college kostuumgeschiedenis en een leuke verkleedpartij”. Drie paspoppen dragen prachtige staaltjes van zestiger jaren huisvlijt: een overall met vrolijke borduursels, een India-jurk, hoge jeanslaarzen. Conrads specialiseerde zich in kostuumhistorie tijdens haar studie kunstgeschiedenis en doceerde dat vak later zelf. Ze kleedde haar leerlingen aan met stukken uit haar collectie. “Je kunt dan heel goed overbrengen hoe die periode geweest moet zijn. Mensen veranderen helemaal als ik ze aankleed.” Met een vooruitziende blik bewaarde ze het grootste deel van haar eigen garderobe en die van vrienden en ze koopt elk jaar een couturestuk van een Nederlandse ontwerper, met alles erop en eraan. Zo raakte kleding van onder anderen Fong Leng, Frans Molenaar en Orson & Bodil in haar collectie. “Maar het hoeft geen topmode te zijn, zelfs geen merkkleding, als het maar een beeld van de tijd geeft. Ik heb ook zelfgemaakte kleding en jurkjes van C&A.”