Kent de toekomst nog socialisten?

De Spaanse socialisten dreigt het lot dat hun Franse en Italiaanse partijgenoten al heeft getroffen: een door schandalen, onderlinge verdeeldheid en politieke ongeloofwaardigheid ingeleide ondergang.

Alle drie partijen hebben alles te danken aan sterke mannen die hun succes mogelijk maakten en die de nationale en Europese politiek jaren lang (mede) richting en inhoud hebben gegeven. Twee partijen verwijten hun problemen grotendeels diezelfde mannen, bij de derde is de verantwoordelijkheid diffuser. Maar naast de overeenkomsten zijn er ook beduidende verschillen in de achtergronden van de crises die de partijen treffen.

François Mitterrand is de geestelijke vader van de Parti Socialiste, de oprichter, de man die de progressieve en radicale clubs uit de Franse politiek bijeen en, aanvankelijk met steun van de communisten, aan de macht bracht. Na een mislukte, want onbetaalbaar gebleken poging een sociale en culturele omwenteling te bewerkstelligen, schaarde Mitterrand zich achter de politiek van de soberheid die in Europa de technocratie van de maakbaarheid had vervangen, zij het dat hij met de "inlas' Edith Cresson nog korte tijd zijn nostalgie naar vervlogen idealen demonstreerde. Als staatshoofd handhaafde de socialistische voorman de gaullistisch-monarchale stijl van het presidentschap - waartegen hij eerder en zo lang vergeefs oppositie had gevoerd. Ook in Mitterrands buitenlandse politiek bleef de gaullistische toonzetting opvallend.

Eenzaam is de socialistische leider nu in het Elysée achtergebleven terwijl zijn partijgenoten vechtend over straat rollen. Soms openlijk geven zij de president de schuld voor de recente zware verkiezingsnederlaag, maar de twisten gaan al meer over de toekomst, over wie van de "olifanten', de aanvoerders van de verschillende facties, straks namens het socialistische legioen de strijd mag aanbinden met rechts over de opvolging van Mitterrand. De confrontatie heeft nog een te persoonlijk karakter om er politiek uit wijs te worden, zij het dat de naam van de nieuwe partijleider, Rocard, staat voor volgehouden pragmatisme. Maar Rocards rol zou wel eens kortstondig en beperkt kunnen zijn, gezien de afkeer waarmee zijn concurrenten hem bejegenen.

De verwarring waarin de Franse socialisten verkeren - rechts won immers met een linkse mantra over het kwaad van de werkloosheid - en de versnippering van de gelederen over de verschillende centurio's plaatsen de PS voor een toekomst die in somberheid nauwelijks onderdoet voor die van de Partito Socialista Italiana. De sterke man die de PSI moderniseerde, Bettino Craxi, was geen Mitterrand. De Italiaanse communistische partij had destijds, in tegenstelling tot de Franse, de tekenen des tijds verstaan en had het zogenoemde Eurocommunisme gelanceerd, communisme met een menselijk gezicht. Waar Mitterrand de traditionele communisten van Frankrijk risicoloos als tijdelijk partner kon gebruiken, vormde de beweging van Berlinguer voor Craxi een dodelijk gevaar. De PSI had geen alternatief: de weg naar de macht leidde voor haar naar een coalitie met het centrum en dus direct en niet via de omweg die de Franse socialisten volgden, naar de toen nieuwe Europese zakelijkheid.

De schipbreuk van de PSI heeft nu plaats in de maalstroom die sinds geruime tijd de Italiaanse politiek overspoelt en die geen partij ongeschonden laat. Dat zou een verzachtende omstandigheid zijn geweest, gedeelde schuld is halve schuld, als Craxi zich niet had geëtaleerd als de politicus van de schone handen en als Craxi niet juist zelf onder de verdenking was komen te staan van corrupte handelingen. Anders dan Mitterrand en de inmiddels in een intern partijconflict geraakte Spaanse socialistische premier Felipe Gonzalez wordt Craxi verweten zich persoonlijk met onwettige zaken te hebben ingelaten.

De Partido Socialista Obrero Espagnol ondergaat momenteel de gevolgen van slijtage veroorzaakt door langdurige machtsuitoefening. De economische groei stagneert, gelijk in de rest van Europa, de werkloosheid loopt op, het beproefde pragmatisme van de regering-Gonzalez blijkt evenmin als dogmatischer socialistische varianten een antwoord op de problemen beschikbaar te hebben. Voormannen en erkende vertrouwelingen van de premier zijn betrapt op misbruik van macht. Gonzalez is deze week gevlucht in een ultimatum: zij er uit of ik er uit. De man die vorig jaar nog namens het internationale socialisme de lijkrede hield voor Willy Brandt, heeft zich onverwachts naar de rand van de politieke ondergang gemanoeuvreerd. Zijn vertrek op deze wijze zou zijn reputatie beschadigen en een onthoofde en ontzielde partij achterlaten.

De gelijktijdigheid van de crises in de drie partijen suggereert dat er meer aan de hand is dan problemen die iedere politieke partij kunnen treffen, zeker in een cultuur waar patronage en nepotisme normaal zijn en de scheidslijn tussen het publieke en private domein niet altijd even scherp getrokken. Twee vragen dringen zich op. In hoeverre delen de drie socialistische partijen in de malaise rondom de gemankeerde maatschappijvernieuwende ideologieën - waarvan Gorbatsjovs perestrojka wel de laatste mocht worden genoemd? En: in hoeverre valt hun tegenslag te verklaren uit het publieke wantrouwen waarmee overal in Europa de op electorale selectie van personen en programma's gefundeerde politiek wordt tegemoet getreden?

Anders gezegd: kent de toekomst nog socialisten, democratisch socialisten of sociaal-democraten? De crises in Italië, Spanje en Frankrijk geven daarop geen antwoord. Hoewel van betekenis is dat de malheur zich voordoet in een democratische omgeving. Het is dit keer niet straatterreur of oorlogsgeweld, maar kiezersvoorkeur die de ellende veroorzaakt.

De socialistische geloofsbrieven stonden eens in het teken van de emancipatie van dat deel van de samenleving, van een "klasse', dat met behulp van het geldende systeem op de knieën werd gehouden. Maar de emancipatie, waarop de socialisten overigens niet het monopolie hadden, is voltooid. De nieuwe "onderklasse van kansarmen', van door de versnelde maatschappelijke ontwikkeling achtergelaten individuen zou in theorie een nieuwe doelgroep kunnen vormen, maar is dat naar haar in wezen versplinterde aard niet.

Het socialisme heeft zich in de voorbije jaren noodgedwongen maar ook natuurlijkerwijs ontvouwd tot een verschansing van waarachter gearriveerden hun verworvenheden verdedigen, niet tegen andere klassen, maar tegen de technologische, sociale en politieke (denk aan de inkrimping van de wapenindustrie) verschuivingen die zich in verhoogd tempo voordoen. In die zin is er geen onderscheid tussen dat wat de Europese socialisten voorstaan en dat wat bijvoorbeeld de nieuwe Democratische president in Amerika nastreeft. In het slechtste geval is het resultaat conservatisme, krampachtige behoudzucht die iedere verandering in de omgeving als bedreiging ervaart. Maar denkbaar is ook dat lijfsbehoud tot aanpassing dwingt, tot een praktische veranderingsbereidheid in algemene zin. Daarmee zouden de eerder gestelde vragen dan irrelevant zijn geworden.