Harpiste Rahel Mengelberg en haar leven in de Sovjet-Unie; "We waren net op tijd vertrokken'

Met gemengde gevoelens liep ze in de Catalaanse zon, het telegram dat ze even tevoren op het postkantoor van San Cugat had afgehaald in haar hand geklemd. Ze durfde het nauwelijks open te maken, bang als ze was voor de zoveelste teleurstelling. Pas toen ze bij een kapelletje aankwam besloot ze het te openen. "Empfehle Annahme', las ze. Het was ondertekend door de dirigent Kurt Adler.

“Het was alsof de hemel zich opende”, zegt ze, bijna 60 jaar later en inmiddels 85 jaar oud, in haar Amsterdamse woning. Tientallen sollicitatiebrieven had ze de hele wereld over gestuurd - zonder resultaat. En nu dit telegram. En dan nog werk in de Sovjet-Unie, het land waarover ze zoveel had gehoord, en gezien in films als De Moeder en Potemkin. Dolgelukkig was ze dat ze als harpiste kon werken bij het Symphonie Orkest in Kiev.

Een jaar eerder had ze samen met haar echtgenoot, de dirigent Karel Mengelberg, haar geboorteland Duitsland verlaten voor het “spook Hitler”. Ze had Karel (hij overleed in 1984) leren kennen op de Berlijnse "Hochschule für Musik'. Samen hadden ze voor het Stadttheater in Greifswald gewerkt voordat hij werk als chef-toonmeester had gevonden bij de "Reichsrundfunkgesellschaft' en zij als harpiste bij het beroemde orkest van Herman Scherchen. Maar toen Hitler aan de macht was gekomen en het tot hen doordrong dat hij geen ééndagsvlieg was, waren ze naar Spanje vertrokken, waar hun zwager Lou Lichtveld hen met open armen ontving.

Zesentwintig jaar oud en drie maanden zwanger vertrok Rahel in de laatste dagen van 1934 naar de Sovjet-Unie. Haar man kreeg geen visum - dat gebeurde pas nadat zijn vrouw bevallen was van een zoontje - en vertrok naar Nederland.

Het IJzeren Gordijn begon al te zakken. In Duitsland was in een openbaar proces het hoofd van de Nederlander Rinus van der Lubbe onder de valbijl gevallen, waarmee het startsein was gegeven om, zoals Hitler het noemde, de communisten met ijzeren vuist te vernietigen. En in de Sovjet-Unie begon Stalin zich met harde hand van zijn zogeheten politieke tegenstanders te ontdoen.

Voor Rahel, die zich had ingesteld op een eenvoudig, sober leven, viel de eerste kennismaking met het land alleszins mee. Ze kreeg een appartement in het chique Kievse Hotel Continental en aan levensmiddelen was nauwelijks gebrek. Eén ding shockeerde haar. Toen ze Kurt Adler vertelde dat ze een baby verwachtte, antwoordde deze doodgemoedereerd: “Oh, dat is geen probleem, daar kunnen ze u hier wel vanaf helpen.” Toen ze hem duidelijk maakte dat dat niet de bedoeling was, introduceerde hij haar bij de directeur van het orkest, die haar tot haar verrassing meedeelde dat ze recht had op zes maanden betaald verlof en extra toeslagen. Ze vond het een overbodig gebaar en pas na aandringen van de directeur (“wenn erst das Püppchen da sein wird, dann werden Sie es gebrauchen können”) zwichtte ze. Nu nog staat ze versteld van de toenmalige degelijke arbeidsvoorwaarden. Want drie maanden nadat ze in de kraamkliniek van het Rode Leger was bevallen van Mischa kwam er zelfs een auto voorrijden om haar voor het spelen van een kadensje uit het "Zwanenmeer' of de "Notenkraker' naar het orkest te brengen.

Van communisme was in het orkest, dat ze qua grootte vergelijkt met het Utrechts Symphonie Orkest, weinig te merken.

Salarisverschillen waren vanzelfsprekend. “Mijn collega's vonden het interessant”, zegt ze, “hoeveel ze verdienden. En iedereen probeerde dan ook het onderste uit de kan te halen. Ieder specialisme werd uitgebuit, onder dreigementen als: anders ga ik naar Moskou.” Verbaasd was ze over de rijkdom van artiesten, vooral onder de componisten, dichters en dansers. Auteursrechten en filmrollen hadden hen geen windeieren gelegd, en in hun auto's en grote villa's leefden ze als miljonairs. En ook de riante voorwaarden waaronder jonge musici - de wonderkinderen - werden opgeleid verbaasden haar.

Buiten het orkest waren de levensomstandigheden, zeker in haar eerste Kievse jaar, slechter. De "bezprezjorni's', de ouderloze zwerfkinderen, maakten met hun overvallen de straten onveilig. Nog staat uit die eerste dagen in haar geheugen gegrift hoe ze een verhongerde boer, een koelak, dood op straat neer zag vallen. Maar hoewel de bevolking in het begin nog slecht was gekleed, veranderde dat gedurende haar verblijf aanzienlijk. “Ineens lagen er roze, lichtgroene en paarse onderbroeken in de etalages. Maar een dag later waren ze alweer verdwenen. Zo groot was de vraag.”

In de winter speelde het orkest in het "Pionier Paleis' en in de zomer bij de voormalige zomerresidentie van de tsaar in het park op de hoge oever van de Dnjepr. Daar stroomde de plaatselijke bevolking dan tesamen om te luisteren naar het overwegend Russische klassiek-romantische repertoire van componisten als Rimski-Korsakov, Tsjaikovski, Borodin en Moessorgski. Ruimte voor andere componisten was er nauwelijks. De "Dances' van Debussy voor strijkorkest en harp kon nog net door de beugel. Maar toen Rahel voorstelde een stuk voor harp en sextet van Ravel op te nemen, werd dat afgewimpeld. “Die was te modern”, zegt ze. “Nee, dat ligt ons niet zo... dat is niks voor ons”, kreeg ze als antwoord. En Prokovjev en Sjostakovitsj kwamen slechts bij uitzondering aan bod, als een "volkstümliche' regering afgewisseld was door een meer intellectuele.

“Artistiek kwam ik dus niet bepaald aan mijn trekken.” Frustrerend vond ze het nauwelijks. “Ik had genoeg werk en ik had een baby thuis.”

Allengs werd de atmosfeer verstikkender. De directeur van het orkest werd afgezet. Hij zou “zijn huishouding niet goed hebben geleid”. Het was het begin van een hele serie nieuwe directeuren. “De tweede had zogenaamd nagelaten het dak te repareren, en werd op transport gesteld. Bij de derde dacht ik bij mezelf: hoe lang zal hij blijven? En ja hoor, na enkele maanden was hij alweer verdwenen. Het was een va-et-vient van directeuren.” Bij "Oekrainfilm', waar Karel als dirigent en componist werkzaam was, was de atmosfeer iets verlichter. “Hij had een bijzonder gecultiveerde directeur”, verklaart ze.

Op een dag werd ze aangesproken door een collega, die haar omslachtig vroeg door wie ze eigenlijk was "gestuurd'. “Ik zweer je dat ik het nooit aan iemand zal vertellen”, voegde hij er aan toe. Met zijn vraag vertolkte ze wat de gemiddelde Rus dacht: alle buitenlanders waren gekomen als spion. Toen Rahel uitlegde dat ze door niemand was gestuurd, zag ze hem denken: wat jammer dat je mij niet vertrouwt. Steeds voorzichtiger werd ze. Door al te amicaal gedrag of gesprekken over politiek zou ze hen in moeilijkheden kunnen brengen. En uiteindelijk vormde aleen het weer nog het enige gespreksonderwerp.

De sfeer in het orkest werd beklemmender, collega's gereserveerder. Meer dan eens vroegen ze haar waarom ze geen Sovjet-burger werd. Ze konden maar niet begrijpen dat ze was gekomen om te werken, de werkloosheid in het Westen was ontvlucht. Ze weet zich nog een navrant voorbeeld uit die periode te herinneren. “Er bleek een fanatieke partijman in het orkest te zitten, die bij collega's natrok wat ze de laatste tien jaar hadden besproken. Mij ondervroeg hij ook. Hij dwong mij te zeggen dat ik mijn orkestharp, die in een verschrikkelijk slechte staat verkeerde, in goede orde had ontvangen. Dat kon ik niet bevestigen, waarop hij beweerde dat ik had gesaboteerd. Ik schrok me rot, want ik wist dat dit Siberië kon betekenen. Het duurde niet lang meer of Karel en ik zeiden tegen elkaar: nu hoeft het voor ons niet meer.”

De verlenging van hun visum verliep inmiddels ook problematisch. Eerst kregen ze stempeltjes voor zes, toen voor drie maanden en uiteindelijk maar voor een week. En toen het eenmaal zover was reisde Rahel speciaal naar Moskou om treinkaartjes voor Amsterdam te kopen, want dat was in Kiev niet mogelijk. Toen ze in Kiev terugkeerde, stuurde ze de Nanja met Mischa erop uit om een laatste afspraak met hun beste vrienden te arrangeren. Om negen uur 's avonds stonden ze aan de voordeur. Om de buren niet achterdochtig te maken bleven ze maar kort en vertrokken weer in de nacht.

Opgelucht verlieten ze de Sovjet-Unie. Precies drie jaar na haar vertrek was Rahel Mengelberg weer terug. “We hadden geluk. We waren net op tijd vertrokken”, zegt ze met enige weemoed in haar stem. Nog geen twee weken later betrok ze de woning in de Amsterdamse rivierenbuurt, waar ze nu nog woont.