Een fantastische sprookjesverteller

De Vrije Universiteit dacht in 1950 met Anthonie Stolk een man van formaat te hebben binnengehaald. De toen vierendertigjarige Stolk was dat jaar aan de Rijksuniversiteit Utrecht op één dag liefst twee keer gepromoveerd, een keer in de medicijnen en een keer in de biologie. Hij had dan wel niet helemaal de juiste papieren voor de leerstoel voor histologie en microscopische anatomie die hij zou gaan bezetten, maar getalenteerde calvinistische medici waren vrij dun gezaaid in die tijd. Stolk werd de vierde hoogleraar aan de net opgerichte medische faculteit van de VU, die zo lang op zich had laten wachten en die met hulp van de spaarcenten van de gereformeerde achterban nu eindelijk was opgericht.

De jonge hoogleraar leek een uitstekende keuze. Stolk mocht dan nogal schuw zijn - hij keek mensen nooit aan als hij met hen sprak of als hij college gaf, en hij zat meestal alleen op zijn kamer - maar artikelen schreef hij bij de vleet. Hij schreef zelfs meer dan zijn collega prof.dr. G.A. Lindeboom, hoogleraar inwendige geneeskunde, die regelmatig klaagde over pijn in zijn hand van het vele schrijven. De ongeveer dertig artikelen die Stolk jaarlijks schreef verschenen ook nog in respectabele tijdschriften, zoals Nature, The Lancet, Experientia en de Proceedings van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Stolk hield zich voornamelijk bezig met het bestuderen van tumoren bij vissen en amfibieën.

De omvang van zijn produktie werd na 1957 nog onnavolgbaarder voor zijn collega's. In dat jaar hield hij voordrachten in Potchefstroom, Bloemfontein, Stellenbosch en Pretoria in Zuid-Afrika. Na afloop daarvan zou hij over land naar Kongo zijn gereisd, om daar het dierenleven gade te slaan in de wildernis. In later jaren zou hij volgens eigen zeggen in zijn vakanties nog een aantal keer terugkeren naar Centraal Afrika. Het resultaat van die reizen was een stroom van spannende boeken die hij schreef onder het pseudoniem Carol Brubaker. Het opvallendste kenmerk van deze avonturenromans was dat ze waren geïllustreerd met foto's die de schrijver zelf zou hebben gemaakt. Fotograferen van dieren was Stolks grote hobby. Bovendien zou hij alles echt hebben meegemaakt, zoals blijkt uit de achterflaptekst: "Liet dr. Brubaker in Tamtams van leven en dood de lezer de meest geheime en wonderlijke riten meemaken in een merkwaardige nederzetting, beschreef hij in Aktaion in de wildernis een expeditie in de wildernis, waarbij het doel was de bongo, een bos-antiloop, op de plaat te krijgen, wat met allerlei vreemde avonturen gepaard ging, in dit nieuwe boek Trawanten van de luipaard vertelt de schrijver ons hoe hij toevallig in aanraking kwam met een geheim genootschap, een zogenaamde "luipaard'-organisatie en hoe het hem lukte de rituele moorden die de leden van dit genootschap op het oog hadden, te voorkomen.' De gidsen en inlanders in de roman spraken een krom apentaaltje, waardoor de boeken de sfeer ademen van Kuifje in Afrika: "Bwana dit niet belangrijk zijn. Nzongo zijn nederige vrouw. Nzongo niet weten van leeuw Simba. Bwana niet verder spreken.'

Prof.dr. W. Leene, indertijd medewerker van Stolk, vond de plattegrondjes van nederzettingen in de boeken verdacht veel lijken op celweefsel onder de microscoop.

Verder is opvallend dat Stolk zelf op geen enkele van de "authentieke' foto's in de romans te zien is en dat de foto's meestal erg vaag zijn. Veel dierenfoto's zijn volgens oud-collega's in dierentuinen genomen. De inmiddels overleden hoogleraar in de anatomie, prof.dr. F. van Faassen, zou aan zijn collega's dr. C.L. Rümke en dr. P.G. Smelik hebben verteld dat Stolk tijdens een bezoek aan de dierentuin in New York zijn standpunt bij het fotograferen zo koos dat de tralies niet in beeld waren. Volgens de amanuensis van Stolk, C. van der Hout, zijn diverse foto's genomen in Artis en in Diergaarde Blijdorp. "Van Faassen heeft mij ook verteld dat hij zichzelf herkende in de beschrijving van een of ander stamhoofd in Stolks boeken,' aldus Smelik.

Collega's haalden dus hun wenkbrauwen op over deze bijzondere nevenactiviteit van Stolk, maar lieten hem zijn gang gaan, ook al omdat hij zo'n vriendelijke man was. Veelschrijver Lindeboom stak wel een keer de draak met Stolks fantastische vertellingen door tijdens het tienjarig lustrum van de medische faculteit een rijm op te zeggen met de volgende regels:

Professor Stolluk

Een man als een wolluk

Zijn pen is zijn tolluk

Hij schrijft voor het volluk

Eind 1962 brachten de wetenschappelijke activiteiten van Stolk de medische faculteit echter in een lastig parket. De Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (OVB) had bij het faculteitsbestuur een klacht ingediend over het werk dat Stolk voor hen had gedaan. Het ging om een onderzoek naar visziekten in verband met het uitzetten van nieuwe vis voor de binnenvisserij. Stolk had over een periode van ongeveer vijf jaar in totaal 14 000 zogenaamde bonte reeksen ingestuurd (een reeks is een volledig bacteriologisch onderzoek op één vis), waarvan de gegevens tegenstrijdig bleken te zijn. Dit had de organisatie ontdekt nadat ze Stolks onderzoek aan een bacterioloog had voorgelegd. De OVB vermoedde dat Stolk het onderzoek helemaal niet had uitgevoerd en de resultaten had verzonnen. Hij had hiervoor echter wel een honorarium van in totaal ƒ 65 000,- opgestreken. Dit geld eiste de OVB nu terug.

Tot ontsteltenis van het faculteitsbestuur bleek er ook iets niet in de haak met een advies dat Stolk had uitgebracht aan het farmaceutische bedrijf Ulcerpax over een middel op basis van zoethout, dat maagzweren zou kunnen bestrijden. Volgens Stolks rapport zou Ulcerpax 70d op 1828 ratten zijn beproefd en zou het in 97 procent van de gevallen een gunstige werking hebben gehad. Uit de stukken die het faculteitsbestuur vond in het laboratorium van Stolk bleek echter dat er maar zo'n 180 ratten waren getest, en dat de positieve werking van het middel bovendien veel te gunstig was voorgesteld. Het middel was nu mede op grond van Stolks advies op de U.A.-lijst (Uitsluitend Apothekers-lijst) geplaatst en Ulcerpax had een circulaire naar de Nederlandse medici gestuurd, met daarbij gevoegd een positieve publikatie van Stolk die was verschenen in de Proceedings van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Dat was nog niet alles, want ook de firma Brocades uit Haarlem beklaagde zich over een advies van Stolk. Hierbij ging het om een middel tegen vaatziekten dat Stolk beweerde te hebben getest op liefst 23 000 vissen. Ook hierover was een studie van hem door de KNAW gepubliceerd. Het faculteitsbestuur ontdekte in Stolks laboratoriumlogboeken dat hij maar 600 vissen had onderzocht.

Stolk werd ter verantwoording geroepen door het college van curatoren van de VU. Hij ontkende alle beschuldigingen, beweerde dat hij zoveel experimenten had kunnen verrichten door soms nachtenlang door te werken en zei dat hij thuis nog meer schriften met gegevens had. De curatoren machtigden het faculteitsbestuur daarop binnen 24 uur samen met Stolk een onderzoek in te stellen in het lab of in zijn huis, om nog meer gegevens te vinden. Dit leverde niets op en Stolk werd met twee maanden verlof naar huis gestuurd. Hij mocht niet meer in zijn lab komen.

De curatoren vroegen zich af wat er nu verder met Stolk moest gebeuren. Was hij ontoerekeningsvatbaar of een doortrapte schurk? Ze namen daartoe contact op met prof.dr. Joh. Booij, bij wie Stolk sinds december 1962 onder psychiatrische behandeling was. Booij was weliswaar psychiater, maar hij oefende zijn praktijk niet of nauwelijks nog uit sinds hij hoogleraar farmacologie en neurobiochemie was geworden aan de VU. Prof.mr. W.F. de Gaay Fortman, de rector magnificus, vond het een ongelukkige situatie dat Booij behandelend geneesheer was van een directe collega. Booijs laboratorium grensde nota bene aan dat van Stolk in de Prins Hendriklaan. De diagnose die Booij voorlegde aan de curatoren was uitermate verrassend: Stolk zou vroegtijdig aan het dementeren zijn. Booij baseerde die conclusie op een klinisch psychologisch onderzoek dat zou zijn verricht in de Amsterdamse Valeriuskliniek door dr. J.E. van Lennep. Het intelligentiequotiënt van Stolk zou begin jaren zestig sterk zijn afgenomen. Naar Van Lenneps oordeel, zo rapporteerde Booij, leefde Stolk op de rand van schizofrenie. Röntgenfoto's zouden aantonen dat er afwijkingen waren in de frontaalhersenen, met name in de bouw van de hersenholte. In psychiatrische inrichtingen had 7 procent van de patiënten een dergelijke kwaal, zo stelde Booij. Het zou in het geval van Stolk kunnen gaan om een geval van post-traumatische dementie, meende hij, want Stolk had in 1949 een auto-ongeluk gehad, waarna hij zes maanden was behandeld.

De curatoren verbaasden zich erover dat ze niet eerder over Stolks ziekte waren ingelicht en vonden het verstandig om een andere medicus bij de zaak te betrekken. Ze namen contact op met prof.dr. J.J.G. Prick, het hoofd van een kliniek in Nijmegen waar Stolk op eigen verzoek tijdelijk was opgenomen. Deze stelde een mildere diagnose dan Booij en zei nog te willen nagaan of Stolk met behulp van een therapie voor een andere functie aan de VU geschikt te maken zou zijn. Booij zag hier niets in. De Gaay Fortman vertrouwde de zaak niet en stelde voor Stolk oneervol te ontslaan. De curatoren vonden daarentegen dat Stolk een eervol ontslag wegens ziekte moest krijgen, zodat hij vervroegd met pensioen kon, en daar ging De Gaay Fortman uiteindelijk mee akkoord.

De Gaay Fortmans wantrouwen was terecht, want Booij sloeg de plank volkomen mis met zijn diagnose, zoals later zou blijken. Of Booij dat al dan niet opzettelijk heeft gedaan of dat Stolk hem om de tuin heeft geleid, is onduidelijk. Vreemd is in elk geval dat de genoemde klinisch psychologe dr. J.E. van Lennep zich desgevraagd niet kon herinneren Stolk ooit te hebben onderzocht. In de periode waarin het geval zich heeft afgespeeld, kwam Van Lennep nog maar één keer per week in de kliniek als supervisor van het psychologisch team. Een dergelijk opzienbarend geval van een vroegtijdig demente hoogleraar zou in haar geheugen gegrift moeten staan, aldus Van Lennep.

Een van de overwegingen van de curatoren om Stolk eervol te ontslaan zal zijn geweest dat zijn aftocht zo geruislozer kon plaatsvinden. De nog jonge medische faculteit van de VU wilde negatieve publiciteit liever vermijden. De betrokkenen kregen daarom door de faculteitsbestuurders een spreekverbod opgelegd. De buitenwacht kreeg door deze maatregel inderdaad geen lucht van Stolks geknoei met onderzoeksresultaten.

De apotheker G. Paris durfde begin 1963 als enige buitenstaander openlijk te twijfelen aan Stolks werk. In het Pharmaceutisch Weekblad uitte hij kritiek op de opzet van diens onderzoek naar het dropextract Ulcerpax 70d. "[W]aartegen heb ik bezwaar? Tegen het feit dat een mengsel van een niet-gedefinieerde dropfractie met twee stoffen waarvan de benificiënte werking op een maagzweer bekend is, vergeleken wordt met drop. De gesignaleerde gunstige resultaten worden aan de gebruikte fractie toegeschreven. Indien men een vergelijkend onderzoek zou instellen tussen enerzijds een mengsel van morfine, antipyrine en fenacitine en anderzijds opiumpoeder [de grondstof voor morfine - FvK] ten einde de superioriteit van morfine te bewijzen dan zou zodanig onderzoek op ernstige wetenschappelijke bedenkingen stuiten.' Paris viel overigens niet over het gigantische aantal van 1828 ratten dat Stolk beweerde te hebben getest.

Wat was de waarde van de talloze andere publikaties die Stolk tijdens zijn dienstverband aan de VU heeft geschreven? "Ik kan mij niet voorstellen dat die kwalitatief betrouwbaarder zijn. Ik zou wel eens willen weten waar hij de tijd vandaan had moeten halen om al die onderzoeken te doen. Hij had nauwelijks staf en leefde in een isolement,' aldus prof.dr. F.C. Stam, emeritus hoogleraar aan de VU, die van de affaire op de hoogte was.

Uit de Science Citation Index blijkt dat Stolks artikelen sinds de jaren zestig door meer dan vierhonderd wetenschappers uit binnen- en buitenland zijn aangehaald. Een ruime steekproef daaruit wijst uit dat zijn publikaties geen aanleiding gaven tot twijfel, maar geen van de auteurs uit de steekproef blijkt Stolks onderzoek te hebben overgedaan. Meestal werd Stolk aangehaald omdat hij een bepaald type tumor zei te hebben aangetroffen bij een weinig onderzochte vis. Ook tussen 1985 en 1991 haalde Stolks werk nog een veertigtal citaties. Ook hierin is geen kritiek te vinden, op één belangrijke uitzondering na. In de Canadian Journal of Fisheries and Aquatic Sciences van juli 1987 hebben J.R. Geraci, N.C. Palmer en D.J. St. Aubin een groot aantal artikelen over tumoren bij walvisachtigen op een rijtje gezet, waaronder vier artikelen van Stolk. De bevindingen van de diverse tumoronderzoekers deelden de Canadezen in vier categorieën in: "bevestigd', "waarschijnlijk, maar onbevestigd', "twijfelachtig, maar niet te bevestigen' en "omstreden'. Slechts één tumor die Stolk beweerde te hebben gevonden bleek ook door een andere onderzoeker te zijn aangetroffen. Het bestaan van vier andere tumoren was "waarschijnlijk, maar onbevestigd'. Liefst acht tumoren vielen volgens de auteurs in de categorie "omstreden'.

Stolk zou na zijn ontslag nog veel opzien baren. De gepensioneerde en "demente' hoogleraar was in de loop van 1963 blijkbaar weer opgeknapt, want in dat jaar schreef hij een boekje voor de AO-reeks, een serie populaire boekjes waar hij al eerder aan had meegewerkt. Het moet voor de bestuurders van de VU een verbijsterend bericht zijn geweest dat Stolk voor Primitief gedrag, zoals het boekje heette, op 19 februari 1964 in Amsterdam de eerste Jacob van Maerlantprijs kreeg uitgereikt. De stichting die de AO-reeks uitgaf had Primitief gedrag uitgeroepen tot het beste populariserende werk uit de 1000-delige reeks. De chef van de afdeling Volksontwikkeling van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen hield bij de prijsuitreiking een speech, en Stolk kreeg ƒ 500 en een kunstwerk.

De Telegraaf hield een interview met de prijswinnaar, waarin hij werd getypeerd als een "moderne geleerde die zijn studeervertrek durft ontvluchten en niet zweert bij de boekenkast alleen'.

Ruim een half jaar later, op 10 oktober 1964, kwam Stolk opnieuw in het nieuws, nu in een interview naar aanleiding van een reis die hij zou hebben gemaakt naar het Amazonegebied. De Telegraaf kreeg van Stolk een opzienbarend verhaal te horen over een nederzetting van zestiende-eeuwse Chibcha-indianen, die hij zou hebben gevonden in de ondoordringbare jungle in Zuid-Columbia. Stolk zei er enkele weken opgravingen te hebben gedaan en er ruwe smaragden, beelden, kruiken en twee merkwaardige klompvormige schoenen met bijzondere afbeeldingen te hebben opgedolven. Hij deed tegen zijn interviewer erg laconiek over de ontdekking van deze schat: "Ik was naar het zuidelijke Amazonegebied gegaan voor een foto- en filmexpeditie naar zeldzame planten en dieren. Onderweg vond ik de resten van deze Chibcha-indianen en toen ben ik verder gaan zoeken. Ik ben geen archeoloog, maar als je er zo met je neus op gedrukt wordt...'

Stolk zei enkele kunstvoorwerpen tijdelijk voor onderzoek te hebben afgestaan aan de universiteit van Bogota, en kondigde aan in het begin van het volgende jaar terug te gaan om verdere opgravingen te doen. Hij schreef een boek over zijn "ontdekkingsreis', getiteld Nacht van de gier. Dit verscheen begin 1965 en is, zoals zoveel van Stolks boeken, nog steeds te vinden in openbare bibliotheken. Het bevatte eenendertig foto's en is net als de Brubaker-boeken geschreven in de stijl van een spannend jongensboek. Het staat vol met stereotiepe beschrijvingen van onbetrouwbare, vuurgevaarlijke Zuidamerikanen, die niet van de drank af konden blijven. Het is bepaald geen realistisch verslag van een belangwekkende ontdekking van een oude stad in de jungle. Stolk ging in het boek zelfs op vrijersvoeten met een achttienjarige indiaans meisje dat hij naakt vastgebonden aan een boom aantrof in het oerwoud. Alicia, zoals het meisje heette, bleek een nazaat van de Chibcha-indianen. Zij viel al snel voor de charmes van haar redder, mi amor Stolk. "Kus me nog één maal, mi amor. Je adem is als de koelte. Ongemerkt gaat ze door de avond. Er zingt misschien nog één vogel en dan is het stil,' zo zou Alicia in het Spaans gezegd hebben. Er was echter geen Nederlandse journalist die twijfelde aan de ontdekking, want Stolks zegetocht door de media ging gewoon door.

Op 2 juli 1965 verscheen in De Telegraaf het bericht dat Stolk weer terugging naar de overwoekerde nederzetting in de jungle. Het ging om een particuliere expeditie, waarvoor hij geen enkele steun kreeg. Het uitgangspunt van zijn reis zou Columbia zijn. "Eenvoudig is de reis vandaar niet, want om op de plek, waar ik de schat heb gevonden te komen, moeten we wekenlang met een soort kano's over woeste rivieren trekken,' liet Stolk weten.

Eind september vertrok hij, weer volgens De Telegraaf, daadwerkelijk naar Zuid-Amerika. Nu om grote houten en stenen beelden op te halen die hij het jaar daarvoor niet had kunnen meenemen. Op 16 december 1965 werd in diverse kranten zijn terugkeer in Nederland gemeld. Het Nieuws van de Dag tekende uit Stolks mond het volgende op over de avonturen die hij met zijn inlandse helpers had meegemaakt: "De stad bleek groter dan we eerst dachten (...) Wel vergelijkbaar met de Maya-steden bij Yucatan in Mexico. We hebben van alles gevonden: zeker honderd beeldjes en beelden, messen, vaatwerk, schalen en allerlei gebruiksvoorwerpen. We konden al die dingen als bloembollen uit de grond halen.' Stolk was gefotografeerd met enkele van zijn vondsten.

Tegen Het Vrije Volk verklaarde Stolk een privé-museum te willen openen in een Amsterdams grachtenpand om zijn vondsten tentoon te stellen. Journalisten hadden nog altijd geen twijfels, gegrepen als ze waren door zijn blijkbaar onweerstaanbare charme. Jan Liber van Het Vrije Volk liet Stolk onder het genot van een kopje koffie met speculaas vertellen over de beeldjes die hij had gevonden: "Wat zeg je ervan? Zeker 5000 jaar oud. Moet je je even goed voorstellen. Vijfduizend jaar! Nou vraag je natuurlijk: Hoe weet je dat het vijfduizend jaar is en geen drieduizend. Daar hebben ze tegenwoordig prachtige methoden voor. (...) [Die beeldjes, daar] zagen ze heel fijne celdeeltjes vanaf die zo dun zijn als vliesjes en die leggen ze onder de microscoop en dan kunnen ze precies zeggen hoe oud die weefsels zijn. (...) Vijfduizend zeiden ze in Washington.'

De bestuurders van de VU moeten al deze verhalen tandenknarsend hebben gelezen. Storend voor hen was dat Stolk nog steeds in verband werd gebracht met de Vrije Universiteit. Daarom liet De Gaay Fortman op 25 februari 1966 aan de onderwijsredacteur van De Telegraaf weten, nadat daarin weer een stuk over Stolk was verschenen, dat deze ten onrechte de titel van professor voerde. Volgens De Gaay Fortman had Stolk deze titel verloren toen hij zijn leerstoel opgaf. Of hij daarin gelijk had is de vraag, want Stolk was in 1964 immers vervroegd met emeritaat gegaan, wat hem volgens de huidige universitaire regels automatisch het recht zou geven de titel tot zijn dood te blijven voeren. De Gaay Fortman zei in 1992 dat daar indertijd een apart besluit van de VU-bestuurders voor nodig was.

Stolk bleef in elk geval onverstoorbaar als professor door het leven gaan en ging op 28 juni 1966 voor de derde keer naar Zuid-Amerika. Aan Het Vrije Volk vertelde hij kort voor zijn vertrek dat hij het grote materiaal dat hij tijdens de tweede expeditie van 1965 had opgegraven, wilde bergen. Hij had een aantal grote beelden, in lengte variërend van een tot twee meter, in de jungle moeten achterlaten, omdat het transport ervan onmogelijk was. Die wilde hij nu met vlotten van balsahout, aan elkaar gebonden met henneptouwen en lianen, vervoeren over de Amazone. Stolks voorbeeld daarbij was de avontuurlijke wetenschapper Thor Heyerdahl, die met een vlot van balsahout naar Polynesië was overgestoken. Stolk had nog meer plannen, aldus Het Vrije Volk: "De vorige keer is het hem namelijk niet helemaal goed gelukt foto's te maken van muurschilderingen, die uit een precolumbiaans tijdperk stammen en die in een tempelruïne waren gevonden. De tempel is immers een heiligdom, waarin onder geen voorwaarde van flitslicht gebruik kan worden gemaakt. Prof. Stolk gaat nu gebruik maken van een platte camera, die onder de kleren kan worden geborgen, met hooggevoelig materiaal. Het is zijn bedoeling een maand of drie vier, misschien wel een half jaar weg te blijven. Als het zo ver is vinden we hem in deze rubriek weer terug. Wie weet met wat voor verbazingwekkend verhaal...'

Eind september 1966 zocht Stolk de pers weer op. Hij had dit keer teleurstellend nieuws: de beelden die hij had willen bergen waren verdwenen. Het Helmonds Dagblad van 13 oktober 1966 meldde dat Stolk niet wist waar de grote beelden waren gebleven: "Hij gelooft niet dat andere blanken tot "zijn" gebied (dat hij angstvallig geheim houdt) zijn doorgedrongen en de beelden hebben meegenomen. Geen enkel blikje of plastic zakje, tegenwoordig het kenmerk dat er blanken zijn geweest, heeft hij aangetroffen. Hij vermoedt dat Indianen in de buurt ze hebben meegenomen om ze stuk te slaan en te offeren aan hun godheden.'

De journalist van het Helmonds Dagblad was de eerste die zich afvroeg waarom Stolk zo jong met emeritaat was gegaan: "Hij komt er aarzelend mee voor de draad. Hoewel hij het zelf niet over zijn lippen krijgt, geeft hij toe, dat hij van zijn professoraat allengs meer "de zenuwen" kreeg tot hij in 1958 op last van andere dokters dan hij ermee op moest houden. Sindsdien is hij tot zijn grote plezier een vrij man, die doet wat hij wil, zijn eigen expedities betaalt en straks directeur zal zijn van zijn eigen museum, al zal hij daar ook wel om de haverklap "uitvliegen'.'

Stolk zou hierna geen nieuwe reizen meer maken naar zijn mysterieuze stad. Wel verscheen er nog een tweede boek over zijn reizen, opnieuw met allerlei foto's. In tegenstelling tot Nacht van de gier heeft dit boek een beschouwend karakter. Stolk bleek goed op de hoogte van de archeologische literatuur, en legde in navolging van de psycholoog C.G. Jung opmerkelijke (archetypische) verbanden tussen Egyptische kunstvoorwerpen en zijn eigen vondsten. Volgens medewerkers van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden die zich in 1992 desgevraagd over de foto's bogen, zijn sommige grafbeeldjes inderdaad afkomstig uit het grensgebied van Columbia en Ecuador. Van andere voorwerpen is de herkomst echter onduidelijk. Eén beeld deed hen sterk denken aan kunst uit Costa Rica. Amanuensis Van der Hout heeft een eenvoudig antwoord op de vraag naar de herkomst van de beelden: "Die kun je in Zuid-Amerika gewoon kopen in indianendorpen.' Het is wellicht overbodig te vermelden dat drs. J. Kloosterman, assistent in opleiding bij antropologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht en Columbia-deskundige, nog nooit bleek te hebben gehoord van de vondst van een stad in het zuiden van Columbia.

Het zal ook geen verbazing wekken dat Stolk zijn museum aan de Amsterdamse grachten nooit heeft gerealiseerd. Wel is hij vanaf midden jaren zestig een produktief schrijver gebleven. Elk jaar verscheen er wel een boek van hem. Daarnaast leverde hij bijdragen aan het tijdschrift Organorama van de firma Organon en was ook regelmatig medewerker van KRO-radioprogramma's. Op 6 december 1986 begon Stolk een wekelijkse column in De Telegraaf die tot maart 1992 in de bijlage "Weekeinde' zou verschijnen onder het logo "Natuur'.

Vlak voor Kerst 1986 stond er een intrigerende kop boven zijn artikel: "Wetenschappelijk onderzoek wijst uit: maagdelijke geboorte bij mensen kàn'. Stolk meldde: "Al eeuwenlang vragen de geleerden zich af of het niet mogelijk is een eicel tot ontwikkeling te brengen zonder dat sperma wordt toegevoegd. Diverse experimenten wezen uit dat maagdelijke ontwikkeling bij sommige zoogdieren mogelijk is. Op grond van die gegevens achtte dr. Helen Spurway, lector in de biometrie en eugenetica aan het University College van Londen, het niet uitgesloten dat ook de onbevruchte eicel van de mens zich langs maagdelijke weg zou kunnen ontwikkelen. Maar de kans daarop achtte ze erg laag, namelijk één op de 80 tot de vijfde macht (dat is 3.276.800.000). (...) Op basis van dr. Spurways uitspraken organiseerde het Britse weekblad Sunday Pictorial een enquête onder zijn lezers, met een oproep aan alle vrouwen die meenden maagdelijk van een dochter te zijn bevallen. Niet minder dan negentien moeders reageerden, waarna een andere onderzoeker, dr. Balfour-Lynn, opdracht kreeg de binnengekomen claims te controleren.' Volgens Stolk bleef er uiteindelijk één moeder over die mogelijk maagdelijk was bevallen.

Wie op grond van het voorafgaande denkt dat deze onderzoekers en het artikel in de Sunday Pictorial zijn ontsproten aan Stolks fantasie, vergist zich. Spurway heeft inderdaad in 1955 het stuk in The Lancet geschreven. Dat neemt niet weg dat het verhaal erg ongeloofwaardig is en dat Stolk het "nieuws' wel erg laat bracht: de Sunday Pictorial was in 1986 al vele jaren ter ziele.

Stolk deed in het artikel in De Telegraaf zelf ook een duit in het zakje: "Zelf zijn wij erin geslaagd om onbevruchte vlindereitjes tot maagdelijke ontwikkeling te stimuleren. De proefnemingen werden verricht met de bastaardsatijnvlinder, plakker of bruinstaart en de beervlinder. (...) Om de onbevruchte eitjes tot ontwikkeling te prikkelen, werden ze 5 tot 60 seconden "gebaad" in zuiver zeewater, waaraan soms nog wat keukenzout was toegevoegd. Daarna werden de eitjes op filtreerpapier gedroogd en in dezelfde ruimte bij dezelfde temperatuur als de niet-behandelde controle-eitjes geplaatst. In tegenstelling tot de eitjes uit het zoutbad lieten deze nooit een ontwikkeling zien. Opmerkelijk was ook dat de maagdelijk ontwikkelde dieren zonder uitzondering van het vrouwelijk geslacht bleken te zijn.' Ongeslachtelijke voortplanting is weliswaar bekend in de dierenwereld, maar Stolks experiment is niet terug te vinden in de wetenschappelijke literatuur, terwijl het toch de moeite van het publiceren waard lijkt.

Het is wonderlijk dat niemand zich in al die jaren publiekelijk heeft afgevraagd of Stolk een fantast is. Steeds heeft hij moeiteloos uitgevers gevonden voor zijn boeken. Het laatste is verschenen in juni 1992. De Telegraaf drukte als eerbetoon aan zijn zojuist afgezwaaide columnist een voorpublikatie af uit dit "ontroerend sprookjesboek van de befaamde bioloog prof.dr.dr. Anthonie Stolk', met de titel Wilgenstad, een fantastisch relaas. Het commentaar van De Gaay Fortman op het verschijnen van dit boek was kort maar krachtig: "Ik geloof dat hij zijn hele leven sprookjesboeken heeft geschreven.'

Frank van Kolfschooten, Valse Vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap. L.J. Veen, ƒ 29.90. ISBN 90 254 0146 5. Het boek is geschreven met een subsidie van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Fraude in de wetenschap

Op 2 april 1992 plaatste Frank van Kolfschooten bij een artikel over fraude in de wetenschap in deze bijlage een oproep om hem gevallen te melden van soortgelijke fraude. Eventueel mocht dat anoniem. Ook schreef hij een groot aantal instituten en faculteiten aan en leden van de Akademie van Wetenschappen.

Niet bekend

Volgende week verschijnt het boek "Valse vooruitgang - Bedrog in de Nederlandse wetenschap'. Bijgaand artikel over dr. Anthonie Stolk is een enigszins bekort hoofdstuk uit dit boek. Stolk, die in 1962 door de VU op 46-jarige leeftijd met vervroegd emeritaat werd gestuurd, had tot vorig jaar nog een wetenschappelijke column in De Telegraaf.

Actueler zijn de hoofdstukken over de socioloog prof.dr. H.P.M. Goddijn, de psychiater prof.dr. H.M. van Praag, de statisticus dr. J. Kingma, de antropoloog dr. W. van Beek, de Delftse psychologe mevrouw prof.dr. G.J.F. Smets en de registeraccountant prof.dr. R.A.M. Pruijm. Deze laatste hield 1 augustus 1989 zijn oratie, dezelfde dag als waarop hij promoveerde.

Het boek gaat in op de psychologie van plagiator en geeft een bespreking van de plagiaatdetector. Een historisch overzicht van alle Nederlandse gevallen van plagiaat en fraude is opgenomen.

Frank van Kolfschooten, Valse Vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap. L.J. Veen, Amsterdam.ƒ 29.90. ISBN 90 254 0146 5.