Derde wereld velt eigen oordeel over dijkverzwaring

OOIJ, 8 APRIL. Vijf jonge mensen uit de Derde wereld, baggerend door zand en modder op een Gelderse dijk, die met bulldozers en draglines wordt verhoogd en verbreed. Het tafereel speelt zich af ter hoogte van café Oortjeshekken in het dorp Ooij achter Nijmegen. Milieuactivisten uit Costa Rica, Uruguay, Mexico, Ivoorkust en Argentinië zijn op de Erlecomsedam aan de Waal om te kijken hoe Nederland gestalte geeft aan de dijkverzwaring.

Het valt de vijf niet mee, zo blijkt als ze zijn afgedaald om in een café met zijn vooroorlogse inrichting commentaar op het werk te geven. Martin Bealieu (Uruguay) vertolkt aller gevoelens met de woorden: “Als je dit ziet, weet je gewoon dat er iets fout zit. Zo'n dijkverzwaring is vergelijkbaar met de aanleg van stuwdammen in Derde-wereldlanden, waar ook zo veel natuurschoon en dorpsleven aan ten offer valt. Al past ons natuurlijk enige bescheidenheid: we hebben tenslotte maar een indruk van dit project gekregen.”

Hij en de anderen bezochten vorige week een met de EG samenhangend congres in Straatsburg en vertoeven nu, in het verlengde daarvan, enkele dagen in de Ooijpolder op uitnodiging van regionale actiegroepen. Dat zijn vooral de Nijmeegse afdeling van Milieudefensie en "Wilde Marjolein', genoemd naar een bedreigde plantesoort die bij voorkeur op dijkhellingen groeit. Wouter van Eck (Milieudefensie) legt uit wat de bedoeling is: “We hebben ze gevraagd de dijkverzwaring te toetsen aan dezelfde criteria die bij de beoordeling van ontwikkelingsprojecten worden toegepast. Dat betekent dat ze hebben gelet op bijvoorbeeld participatie van de plaatselijke bevolking en de gevolgen voor het milieu.”

Om zich een oordeel te kunnen vormen, kregen de drie vrouwen en twee mannen vertaalde samenvattingen van een serie waterstaatsdocumenten te lezen. Daar kwam hun eigen waarneming bij, aangevuld met het standpunt van Milieudefensie en "Wilde Marjolein', die de dijkverzwaring als schadelijk voor natuur en landschap en feitelijk onnodig afwijzen.

Hier in de Ooijpolder valt voor de milieugroepen het tij niet meer te keren, want het werk is al een eind gevorderd. Toch zal er een minder kolossaal dijklichaam uit voortkomen dan aanvankelijk de bedoeling was. In januari diende een kort geding van de belangenvereniging Ooijse Dijken tegen de opdrachtgever, het waterschap Groot Maas en Waal. Bij die gelegenheid heeft het waterschap toegezegd zijn plannen te zullen aanpassen aan het advies van de commissie-Boertien, die eerder in een rapport over de dijkverzwaringen op matiging had aangedrongen. Dat betekent dat de waterkering bij Ooij een halve meter lager aan de voet en enkele meters smaller uitvalt dan oorspronkelijk was voorzien.

Maar intussen is terwille van de nieuwe dijk al veel afgebroken. Vorig jaar gingen aan de Erlecomsedam negen huizen tegen de vlakte en kort geleden sneuvelde nog een stel fraaie bomen. In het door graafmateriaal belegerde café wekt deze uitkomst voornamelijk onbegrip. Wat de vijf afgezanten uit Latijns Amerika en Afrika het meest verbaast, is dat er niet beter naar de milieubeweging en de dijkbewoners is geluisterd. Vanachter een hete chocomel met slagroom betoogt Gome Hilaire (Ivoorkust): “Als jullie Europeanen ons ontwikkelingsgeld geven, zijn wij verplicht te doen wat jullie zelf kennelijk nalaten: de plaatselijke bevolking raadplegen.”

En hij komt daar in Oortjeshekken met een opmerkelijk feit op de proppen, dat zich in zijn eigen land heeft voorgedaan: “De regering van Ivoorkust had bij de Wereldbank in Washington geld weten los te peuteren voor de aanleg van een autoweg, waardoor een compleet dorp van de kaart zou worden geveegd. Daarop heb ook ik me bij de Wereldbank vervoegd, namens de bedreigde bewoners. En met succes. De regering moest het tracé omleiden, zodat niet alleen het dorp, maar ook een kudde olifanten gespaard bleef. Zo is er toch nog gerechtigheid.”