Zonder geschiedenis is wijsheid onbereikbaar (Burckhardt); De taaiheid van vooroordelen

Het negatieve Duitslandbeeld bij jongeren, dat door het Clingendael-onderzoek zojuist aan het licht is gebracht, zal alleen diegenen totaal verrast hebben die uitsluitend naar de officiële politieke en economische relaties of naar de EG-problematiek kijken. Door een pikant toeval (de eeuwige "ironie' der geschiedenis) worden die bevindingen net gepubliceerd op het moment dat een Nederlands-Duitse militaire eenheid wordt geformeerd; toch een alleszins opmerkelijk fenomeen in de marge van de Europese samenwerking.

Men kan die uitslag natuurlijk weer met de nodige relativerende geruststellingen voorzien: zo'n enqu^ete zegt ook niet alles. Ze blijft fragmentarisch. Bij andere vragen zou de uitkomst misschien ietwat anders zijn (ik heb die vragen niet gezien). Het onderzoek vond plaats toen Duitsland net door gewelddadigheden een negatieve publiciteit kreeg, enz. Aan het gegeven van een kennelijk diep geworteld anti-Duits sentiment, zeker bij de jeugd, valt moeilijk te tornen. In de crisis waarin Europa en de Europese beweging zich bevinden en bij het enorme belang van Duitsland voor Nederland, vooral in de toekomst, is dit geen erg gelukkig symptoom van nationalisme, omdat het zich immers allereerst in de vorm van afkeer jegens "de ander' uit.

Als de Duitsers zich morgen van een Europa zouden afwenden dat door hun buren al regelmatig als dubieus wordt ervaren, zouden die buren, ook Nederland, er in elk geval het nodige aan hebben gedaan om hen te overtuigen van het volstrekt uitzichtloze van samenwerking. Eens oogstte een zekere Adolf er de vruchten van dat de democraten van Weimar het Westen niet tot meer toeschietelijkheid konden bewegen. Er zal geen nieuwe Adolf komen maar dat mag geen excuus zijn om aan een uitslag als die van het Clingendael-onderzoek schouderophalend voorbij te gaan en over te gaan tot de orde van de dag.

Het gonst in Nederland momenteel van anti-racisme- en anti-fascisme-activiteiten, juist ook onder jongeren, die dan met de nodige trots worden geëtaleerd. Het officiële anti-racisme vindt echter zijn curieuze omslag in het getolereerde "racisme', dat uit dat taaie anti-Duitse sentiment spreekt. Vanwaar echter dat sentiment juist bij een generatie, die de bezetting alleen van horen zeggen kent, ja die al kind van de naoorlogse generatie is?

Kennelijk kan geen enkele samenleving het stellen zonder negatieve clichés. Ze fungeren als zelfbevestiging. Nederland zelf kreeg dan ook in die enqu^ete het mooiste cijfer. Kenmerk van vooroordelen is, dat ze zich rationeel moeilijk laten bestrijden omdat ze zich dicht onder de oppervlakte nestelen, als mijten in de pels van het bewustzijn. Het opmerkelijke hierbij is namelijk dat de Nederlandse pers, de meeste correspondenten, sinds jaar en dag een doorgaans evenwichtig en objectief beeld van de Bondsrepubliek aanbieden. Aan eenzijdige informatie op dat vlak ligt het dus zeker niet. Waaruit de betrekkelijkheid van de invloed van de pers kan blijken. Waardoor komt het dan wel?

Ik denk dat dit cliché bij de jeugd op vooral twee oorzaken terug te voeren is: Een misschien onuitgesproken anti-Duitse grondstelling van het milieu die door ouders of grootouders al wordt overgebracht, versterkt door de verhalen over de oorlog. En daarnaast de exorbitante aandacht voor die periode; voor fascisme en racisme, de cultus van het verzet, de herdenkingen in de media en misschien ook de nadruk die in het geschiedenisonderwijs op al deze onderwerpen valt. Fascisme, oorlog, bezetting, verzet, shoah...ze verwijzen hoe dan ook naar het Duitsland van gisteren. Eigenlijk is het dus allerminst verbazend dat een jonge generatie dan, niet gehinderd door enig genuanceerd denken, tot een dergelijk oordeel komt. Die aandacht versterkt het gestolde en achterhaalde maar wel vertrouwde en dierbare beeld van het grote buurland, dat de nationale eigenliefde streelt. Daardoor blijft zij ontoegankelijk voor het inzicht dat dit buurland al lang niet meer het Duitsland van gisteren is. Want een ander kenmerk van vooroordelen is de ignorantie. Men leeft hier met de rug naar het oosten toe; gericht op Amerika.

Als de gangbare bestrijding van racisme niet in de uitgesleten banen wil blijven, zou ze zich ook eens op het algemene fenomeen van het vooroordeel moeten richten. Een aangewezen terrein voor voorlichting was altijd het onderwijs. Maar als we lezen hoe men in de toekomst de Nederlandse scholier denkt uit te rusten voor een leven binnen een klein geworden Europa, dan lijkt het onderwijs zich eerder te bewegen in tegengestelde richting. Vooral de leraren Duits weten hiervan mee te praten.

Met wat voor een culturele bagage wordt de Nederlander van morgen, worden onze toekomstige politici en bestuurders op de samenleving los gelaten? Zonder behoorlijke talenkennis en met een buitengemeen merkwaardig waterig kliekje in de buik, dat blijkbaar nog onder het etiket "geschiedenis' wordt opgediend. Daar is ook in deze krant al het nodige over te doen geweest. Maar de ontsporing begint natuurlijk bij de drastische amputatie van het vak geschiedenis in het lesrooster. Dan wordt elke uitwerking een farce. Algemene ontwikkeling is "onderwijskundig achterhaald' troosten ons de goeroes van het onderwijs (in NRC Handelsblad van 26 maart). Feitenkennis ruikt te veel naar "Verlichting'; zoals bekend een zeer verfoeilijk tijdperk en als men de historische verduistering prefereert, dan is men inderdaad op de goede weg.

Aan het anti-verlichte program dat nu door de in 't nauw gebrachte invullers is opgesteld, ligt blijkbaar het groteske en versleten idee van de generatie uit de jaren zestig en zeventig ten grondslag, dat historische kennis "maatschappelijk relevant' zou moeten zijn, in de zin van toepasbaar.

Helaas is die nonsens ook door historici zelf wel eens verkondigd; om tactische of budgettaire of weet-ik-wat-voor redenen. Daaruit resulteert dan dat men leerlingen geen weetjes meer wil bijbrengen maar "vaardigheden'. Ze moeten samenlevingsvormen "herkennen' en met een paar modieuze uit het onpeilbaar rijke verleden geabstraheerde "factoren' leren werken als ik het goed heb begrepen. Ik denk dat zij daar evenveel aan hebben als een vrachtwagenchauffeur in het spitsuur aan zijn spel met autootjes op de kamervloer toen hij 11 was. Historische kennis is nooit toepasbaar als jiu-jitsu of hoofdrekenen.

Men kan er onmiddellijk aan toevoegen dat geschiedenisonderwijs evengoed vooroordelen, vijandschap, mythes, haat en fanatisme in leven heeft gehouden of versterkt, als dat het vrede en begrip heeft bevorderd. En het zoëven genoemde voorbeeld - de grote aandacht voor de bezetting in Nederland - heeft, in weerwil van haar goede bedoelingen, wellicht ook die negatieve bijwerking gehad, die in het Clingendael-rapport zichtbaar werd.

Maar even onzinnig is de conclusie, dat geschiedenis "dus' niet onmisbaar zou zijn in het onderwijs als ze inderdaad niet "operationeel' kan worden gemaakt, zoals dat tegenwoordig heet.

De vraag is natuurlijk: Wat heet "onmisbaar'? Onmisbaar voor wat? Voor het biologisch-materiële voortbestaan of de voortplanting of voor een bepaald sociaal type? In de oudste en meest primitieve samenlevingen hadden de mensen al een verleden nodig, dikwijls in de vorm van mythen, om zin te geven aan hun bestaan en om met het grote raadsel beter te kunnen leven. Mensen kunnen kennelijk niet zonder geschiedenis, in welke vorm dan ook. Nu in de moderne tijd aan het beeld van dat verleden bepaalde eisen worden gesteld qua betrouwbaarheid en kennis, behoort een (althans rudimentair) benul van het verleden in deze geijkte vorm tot de geestelijke basisuitrusting van de mens in die huidige samenleving. De vraag naar het nut is hier even misplaatst als de vraag naar het nut van het dragen van een broek. Een juten zak of ossevacht doet het ook. Of onze scholier van morgen, cultureel in ossevachten gehuld, in Europa een gelukkig figuur zal slaan, is echter weer iets anders.

Alle gepieker over de zin van geschiedenis is nog steeds niet verder gekomen dan de beroemde uitspraak van Burckhardt, dat geschiedenis “nicht klug macht für ein andermal, sondern weise für immer!” Wat dat laatste aangaat was Burckhardt wel iets te optimistisch ten aanzien van het merendeel van zijn medemensen. Maar dat zonder geschiedenis die wijsheid per definitie onbereikbaar is, lijkt mij evident. Even voor de basisvorming: Dit citaat was nu Duits. Burckhardt leefde in de vorige eeuw. Onderwijskundig is hij dus achterhaald, dat gebiedt de eerlijkheid erbij te zeggen. Hij was een professor te Bazel. Dat is een stad in Zwitserland, niet in Duitsland. Het blijft moeilijk.