Vitaliteit

Een enkele keer verschijnt er een boek waardoor je tot in je voegen geraakt wordt. Dat gebeurde mij vorige maand met Monika van Paemels Het wedervaren (Meulenhoff 1993). Het valt misschien niet op tussen de drie dikke boeken die op het ogenblik over de toonbank gaan - De verborgen geschiedenis, Wilde zwanen en De ontdekking van de hemel -, want ik heb er nog geen recensie over gelezen.

Het wedervaren is een autobiografisch relaas, een persoonlijk getuigenis, maar dat zijn misschien niet de goede woorden. Het is geen afgerond verhaal; het zijn invallen en gedachten, niet volgens een bedachte en weloverwogen structuur, maar associërend verteld. Het is dan ook een tekst die aanvankelijk ingesproken werd in een bandje voor een radioprogramma van de IKON, zonder dat dit teruggespoeld kon worden: een doodenge formule die in dit geval prachtig proza heeft opgeleverd. Later heeft Van Paemel de band bewerkt tot dit verhaal, gelukkig zonder dat het zijn oorspronkelijke associërende karakter verloren heeft.

Het boek doet me soms denken aan verhalen van Natalia Ginzburg, hoewel zij kaler schrijft, in kortere zinnen, maar het is dezelfde rake toon waarmee over het leven verteld wordt, over geliefdes en kinderen, vrienden en ouders, over oorlog en het uitbreken van het voorjaar. Dezelfde melancholie over de dingen en de mensen die voorbijgaan en nooit meer terugkomen. Maar behalve bloemrijker van taal is Van Paemel ook vitaler, meer nog midden in het gevecht om de werkelijkheid het hoofd te bieden. Haar boek gaat over haar jeugd in Vlaanderen, over haar grootmoeders en pleegouders, over leven en dood, over onvermogen en verdriet en haar krachtig vermogen tot genieten. Steeds terugkerend in haar verhaal zijn de gedachten over haar dochter, die een eind aan haar leven maakte, een niet te helen litteken dat er altijd is, en altijd weer opspeelt. Ze schrijft daarover zonder ooit pathetisch te worden, zo mooi als ik het nog nooit ergens heb gelezen. Het is als een onuitwisbare band die op elk moment door alles heen kan gaan spelen, zich met alles vermengt wat later gebeurt. En veel vragen oproept over wat er aan vooraf is gegaan.

Zoekend naar passende citaten merk ik dat een groot deel van het boek zich daartoe leent, zo bondig en helder is het over zoveel vitale zaken. Over de dood van haar kind: “Een tijdlang viel ook alle seksualiteit weg, daaruit blijkt hoezeer ik seksualiteit en vruchtbaarheid nog met elkaar verbond. Toen het kind dood was, was het alsof ik ook in een keer oud en koud was. Het was een ongevoeligheid en in die periode wilde ik dat ook zo houden, omdat alles wat mij kon raken kon aanraken, pijn deed.” En over schrijven: “Schrijven wordt soms voorgesteld als een keuze tussen leven en werken, maar het is al schrijvend leven, en al komen er voortdurend verplichtingen bij, dat is de essentie. (...) Werken is ook een manier om het verdriet in te polderen en onvervulde verlangens op afstand te houden.”

Ooit heb ik haar ontmoet, omstreeks 1980, in een gezelschap Geleerde Vrouwen dat bijeenkwam in Den Treek, een vervallen landhuis ergens in de bossen. Zo geleerd waren we niet, maar we deden allemaal iets openbaars. De een schreef gedichten, een ander maakte films, er waren veel echte boekenschrijfsters. Ook ouderen, onder wie Josepha Mendels die ieders hart stal door haar plezier en vitaliteit. Ons vond ze maar een stelletje tobbers, en ze vertelde met zwier hoe je de dingen anders kunt aanpakken, zoals het in dienst nemen van personeel en het op zeer late leeftijd kinderen krijgen.

Van Monika van Paemel herinner ik me vooral hoe ze op die mooie, zangerige Belgische toon vertelde over haar werk bij de radio. Er ontstond aan die tafel een soort trots over wat wij vrouwen toch allemaal konden; een gevoel dat ik niet kende, maar wel aangenaam vond.

Toen ik dit boek las en herlas, kwamen deze beelden weer terug, als uit een voorbije periode. Door haar intieme relaas weet ik in elk geval hoe het haar verder is vergaan. En ook hoe belangrijk het is om de nieuwsgierigheid en het vermogen tot genieten te behouden.