Topman Edzard Reuter van Daimler-Benz presenteert droeve balans; Een moeilijke dag in het leven van een ascetische tycoon

STUTTGART, 7 APRIL. De jaarlijkse gebeurtenis geschiedt dit keer tegen het decor van een recessie in Duitsland, het land met de sterkste economie van Europa. In het "Haus der Wirtschaft' te Stuttgart luisteren honderden journalisten uit vele landen boven hun embargostukken naar een schrale, haast ascetische man met een vlekkige vogelkop waarvan de dunne pluizen kort geknipt zijn. Zijn magere hals plooit weg in een blauw hemd met een brede witte boord. Voor de fotografen (en de camera's) heeft hij net het type rondje door de zaal gemaakt dat in bijschriften de volgende dag vast het woord ongedwongen moet oproepen.

Hier zit een uiterlijk, maar ook anderszins merkwaardig symbool van de Duitse industriële potentie. Een zacht pratende 65-jarige SPD'er, die nu alweer zo'n zeven jaar de leiding heeft van Duitslands grootste concern. Een man die als eerste moet wikken en beschikken tussen Airbussen en S-klassers, tussen het sluiten van een grote kantoormachinefabriek (Olympia) en het overnemen van een wankelende Nederlandse vliegtuigbouwer (Fokker). Ooit is hij, ook bijzonder voor een SPD'er, op zijn troon geholpen door de ook hier machtige Deutsche Bank, zowel huisbankier als grootaandeelhouder, wier toenmalige topfiguur Alfred Herrhausen wel wat zag in zijn diversificatieplannen.

Edzard Reuter, de chef van Daimler-Benz (nu 375.000 werknemers over de hele wereld), had gisteren weer eens een moeilijke dag. De man die in de tweede helft van de jaren tachtig begon aan zijn zelfontwikkelde missie om van het kapitale autobedrijf Mercedes via enkele snelle grote aankopen (AEG, MBB, Dornier, MTU etc.) een brede, technologisch geintegreerde industriegigant te maken, moest daaromtrent bij de toelichting op het jaarverslag over 1992, een tamelijk droeve balans presenteren.

Want het gaat niet goed met die voorgenomen missie. AEG kon alleen met veel kunst- en vliegwerk nog net met zwarte cijfers in de boeken worden gezet, de kleine dochter Debis (verzekeringen, financieringen) telt nog nauwelijks mee en Dasa, de nieuwe Fokker-moeder, scoorde ondanks Airbus-successen negatief omdat er in de sectoren wapens (Jäger '90) en lucht- en ruimtevaart niet meer zoveel te verdienen is. En zelfs Mercedes, Daimlers traditionele paradepaard, moneymaker en structurele kern (66 procent van de met 2 procent gegroeide omzet van 98,5 miljard mark), is nu stevig in de problemen geraakt. De verkoop van (dure) personenauto's is in Duitsland spectaculair in elkaar gezakt, de onverkochte voorraden groeien ondanks verplicht korter werken nog. Van de voor komende zomer aangekondigde nieuwe C-klasse (geplande jaarproduktie in 1995: 250.000) wordt nu succes verwacht in de permanente krachtmeting met concurrent BMW. Een geplande vrachtwagenfabriek in Tsjechië (met Liaz en Avia) gaat niet door, die komt nu in Wörth bij Karlsruhe. Het plan voor een nieuwe fabriek in het Oostduitse Ahrensdorf (bij Berlijn) is voorlopig ook alvast grotendeels afgeschreven.

Ontdaan van alle fiscale en boekhoudkundige tournures vertoonde het jaar 1992 een zeer bescheiden concern-winst. Volgens de Frankfurter Allgemeine Zeitung en de Süddeutsche is die winst realiter namelijk maar circa 700 miljoen mark (min 41 procent). Blij is Reuter niet met zulke journalistieke begeleiding. “Mijn God, wat hebt u allemaal niet geschreven”, verzuchtte hij daarover. Kenmerkend voor hem is dat hij niettemin in zijn missie blijft geloven en twee maanden geleden, toen hij 65 werd, onder deze omstandigheden besloot om als chef toch nog eens bij te tekenen tot eind 1995. Wat echter wel de vraag oproept of hij zelf nog tijdig de verwachte keer ten goede zal meemaken. De klok tikt nu immers snel, terwijl het eerste kwartaal van 1993 een nieuwe omzetdaling met 25 procent te zien gaf. Vorig jaar moesten er wereldwijd 18.000 banen verdwijnen, dit jaar nog eens 15.000. Desgevraagd schat Gerhard Liener, Daimlers financiële topman, voor 1993 al een verdere winstverval van 25 procent.

Reuter gisteren: “We hebben ons vergist. Het jaar 1992 heeft zich totaal anders ontwikkeld dan we een jaar geleden, zelfs zomer vorig jaar nog, hadden verwacht. We waren er vast van overtuigd dat de magere jaren definitief achter de rug waren en dat de winstontwikkeling zich ten goede zou keren. (..) Net als iedereen hadden we erop vertrouwd dat het wegzakken van de Duitse Sonderkonjunktur zou worden gecompenseerd door een economische opleving in onze belangrijkste Europese afzetlanden. Wat destijds bij onze buren een zekere voorbode van een opbloei leek, heeft zich ontpopt als een tussentijds conjunctureel verschijnsel, dat gevolgd is door stagnatie en recessie.”

Aangekondigde nieuwe projecten, zoals Mercedes-uitbreidingen in Spanje en de VS (terreinwagens) en Mexico, illustreren dat Daimler-Benz er steeds minder moeite mee heeft om duidelijk te maken dat het Duitsland als produktieplaats langzamerhand te duur begint te vinden. Reuter zei dat gisteren niet in ronde woorden, maar hij liet wel doorschemeren dat het predikaat “made in Germany” voor hem dadelijk niet beslissend hoeft te zijn bij nieuwe investerings- en produktieplannen.

Edzard Reuter. Er zit iets paradoxaals in de positie van deze industriële tycoon, die nadenkt over de verhuizing van Daimler-activiteiten naar het goedkopere buitenland, maar maatschappelijk tevens zó geëngageerd is dat hij vorig najaar met onder meer oud-bondskanselier Helmut Schmidt (SPD) een manifest publiceerde met als veelzeggende titel “Omdat dit land moet veranderen”. Twee balansen, twee keuzen, het rijke Duitse leven is echt moeilijker geworden.