Marie Elise Loke: vrouw en geleerde

In 1871 had de Rijksuniversiteit Groningen de primeur. De eerste vrouwelijke student schreef zich in: Aletta Jacobs. Minder bekend is dat in Groningen ook de eerste vrouwelijke docent werd benoemd. Marie Elise Loke (geb. 1870) was van 1907 tot haar dood in 1916 lector Frans aan de letterenfaculteit. Met een biografie en een tentoonstelling, vorige maand in Groningen, deze maand in Amsterdam, wordt ze herdacht.

Inge de Wilde, "Een beminnelijk romaniste'. Marie Elise Loke (1870-1916) de eerste vrouwelijke lector in Nederland. Uitgeverij Passage Groningen. ƒ 19,50. ISBN 90-5452-008-6.

De tentoonstelling is vanaf vandaag tot 7 mei te zien in het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging, Keizersgracht 10, Amsterdam.

Rond 1907 was de discussie in volle gang of vrouwen, door het volgen van een studie, hun vrouwelijkheid zouden verliezen. “De studentes hadden in de persoon van Marie Loke een voorbeeld dat dat niet hoefde te gebeuren”, vertelt drs. Inge de Wilde, schrijfster van een biografie van de eerste vrouwelijke universitaire docent. “Het schrikbeeld dat bij veel mannen leefde, was dat een vrouw die studeerde een kenau werd. Veel mannen waren zelfs bang dat vrouwen door hun studie onvruchtbaar werden. Voor studentes was het een opluchting dat Marie zacht, verfijnd en vriendelijk was. Ze bewees dat geleerdheid en zachtaardigheid samen konden gaan.” Een van haar leerlingen, Annie Oppenheim, schrijft in een levensschets uit 1916 dat Marie zelfs “vrouwelijker was dan alle andere vrouwen”.

De Wilde heeft al verscheidene artikelen en boeken gepubliceerd over vrouwelijke wetenschappers aan de Groningse Rijksuniversiteit. Ook verdiepte ze zich in het leven van Aletta Jacobs en verzorgde ze vorig jaar een publikatie van brieven van Jacobs aan de familie Broese van Groenou. Zo veel er bekend is over Aletta Jacobs, zo weinig over Marie Loke. Volgens De Wilde heeft dat alles te maken met de persoonlijkheid van de romaniste. Ze trad niet graag op de voorgrond, maar wijdde zich liever aan haar studie, zoals veel academische vrouwen in die tijd. Het onderzoek naar het leven van Loke verliep moeizaam. Veel brieven heeft zij niet nagelaten. Wel was er een familiearchief en verder moest De Wilde zich behelpen met algemene bronnen, zoals kranten en jaarboeken van de universiteit.

Marie Elise Loke werd in 1870 in Hoorn geboren, waar haar vader werkzaam was als waterstaatsingenieur, als vijfde in een gezin van zes kinderen. Al op zeer jonge leeftijd, na de lagere school, werd ze onderwijzeres. In de avonduren behaalde ze haar lagere onderwijsactes Engels en Frans en haar MO-A examen Frans. In 1900 slaagde ze voor het MO-B examen in die taal en werd ze lerares, eerst in Kampen aan het Stedelijk Gymnasium en later aan de meisjes-HBS in Den Haag. In die tijd begon ze te publiceren en in 1903 verscheen haar vertaling van "Le roman de Tristan et Iseut'.

Marie was een zeer studieuze vrouw, met belangstelling voor de wetenschap. Het was dan ook niet uit carrière-overwegingen dat ze in 1906 naar Toulouse vertrok om er te kunnen promoveren. “Ze wilde waarschijnlijk economisch onafhankelijk zijn, dat was zeer belangrijk voor haar”, aldus De Wilde. In 1907 werd Loke lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. In datzelfde jaar beval haar leermeester prof. dr. J.J. Salverda de Grave haar aan bij het college van curatoren van de Groningse universiteit als lector Frans. “Ik geef mij rekenschap dat het een nieuwigheid is, een dame in het personeel der Universiteit te benoemen, doch ik acht het zeer onwaarschijnlijk dat hiertegen (..) bezwaar zou worden gemaakt.” Salverda omschreef Loke als "zeer getrouw' en als iemand die het Frans buitengewoon goed beheerste. Maar hij vergiste zich; ondanks de aanbevelingen waren de curatoren huiverig om een vrouw te benoemen. Pas nadat drie heren die ze hadden gepolst het aanbod afsloegen, besloten ze Loke aan te nemen.

Haar benoeming op 28 oktober 1907 was internationaal nieuws. De in Parijs verschijnende New York Herald schreef: “The professional body of the Dutch universities has ceased to be exclusively masculine”. In haar inaugurele rede besprak Loke het werk van Belle van Zuylen. Zij was hiermee een van de eersten die het werk van de in ons land toen nog onbekende onconventionele schrijfster bekendheid gaven. Tijdens haar jaren aan de universiteit wijdde Loke zich aan het onderwijs en regisseerde ze studententoneelstukken. Ze was bij haar studenten zeer geliefd en haar colleges werden druk bezocht. Annie Oppenheim daarover: “Hoe goed herinner ik mij den indruk, die haar voorlezen maakte, hoe stil wij allen zaten te genieten, als wilden wij vasthouden den etherischen klank van haar stem, de trilling van emotie voor 't schoone, die zij op ons overbracht.”

Van haar persoonlijk leven is weinig bekend. De Wilde vermoedt dat Loke, die ongetrouwd bleef, volkomen opging in haar werk en in de omgang met haar studenten, aan wie ze erg gehecht was. In haar vrije tijd hield ze zich bezig met theosofie. Ze was ook geïnteresseerd in mystiek en astrologie en ze was aangesloten bij de gemengde loge "Washington' van de Vrijmetselarij. Romances kon de biografe niet achterhalen. “Wel is Loke vele jaren bevriend geweest met prof. Salverda de Grave, bij wie ze lessen Frans had gehad in Leiden. Ze dweepte een beetje met hem, noemde hem bijvoorbeeld "mon maitre aimé'.”

Hoewel ze niet op de voorgrond trad en misschien soms te bescheiden was - haar inaugurele rede verscheen nooit in druk - en bepaald geen strijdbaar feministe, werd Loke in 1910 toch voorzitster van de Groningse afdeling van de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht. “Marie Loke bezat een zeker flegma en relativeringsvermogen. Ze besefte dat het vrouwenkiesrecht er ook zonder haar inspanningen zou komen, omdat het volgens haar een "onafwijsbare eisch des tijds" was. Toch vond ze dat ze er in haar positie als lector niet onderuit kwam in het plaatselijk bestuur zitting te nemen”, meent De Wilde. Samen met onder anderen Carry van Bruggen, Cornelia Serrurier en Annie Oppenheim zat Loke in de subcommissie letterkunde en toneel die onderdelen van de tentoonstelling "De Vrouw 1813-1913' verzorgde.

Van het meeste belang blijven de vertalingen die Loke maakte. Zo beleefde haar vertaling van "Tristan en Isolde' in 1973 zelfs een vijfde druk. In 1910 vertaalde ze op verzoek van regisseur Willem Royaards "De Barbier van Sevilla' van Beaumarchais.

In het cursusjaar 1913-1914 werd Loke ziek. Ze werd geopeerd aan een kwaadaardig gezwel en stierf op 2 februari 1916, op 45-jarige leeftijd. De Nieuwe Rotterdamse Courant schreef: “Zij had eigenlijk niets anders dan vrienden, haar collegianten kenden haar als een zeer begaafde, geestige, wier colleges altijd bijzonder interessant waren.”

“Wellicht was ze veel bekender geworden als haar een even lang leven was gegund als Aletta Jacobs die 75 werd”, aldus De Wilde. Een van haar laatste wensen was dat er over haar geen "In memoriam' zou verschijnen in de verslagen van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.