Kruidenvrouwtjes

Het buitenland trekt vreemde snuiters aan. Mij niet uitgezonderd, maar ik wilde het even over anderen hebben. Over de andere vreemde snuiters die Nederlander zijn.

Nederlanders zitten overal. Vlucht de bergen van Nepal in of zoek de verlatenheden op van Brazilië's achterland - je komt er een Nederlander tegen. Je moet een duivelskunstenaar of een slangemens zijn om dat soort te vermijden.

Ik weet dat het geen zin heeft me in een Portugal zonder Nederlanders te wanen. En ik heb er vrede mee. Ik mijd ze niet uit principe. Af en toe praat ik zelfs met zo'n figuur.

Er zat een jongen te lezen, afgelopen zondag, hier vlakbij, op een terras van een uitspanning aan de rivier. Geen lelijke jongen, ook niet mooi, een beetje groot en een beetje dom, het soort waarvan vrouwen liegen dat ze er niet van dromen. Hedendaags haar in drie kleuren, een neus met een kuiltje. Ik heb een afwijking als ik een jongen zie lezen - ik wil altijd weten wat hij leest. Ik draaide met mijn nek en schoof met mijn stoel. Het was Wuthering Heights. Een beetje eigenaardig, want nogal dun.

Mijn nieuwsgierigheid moet hem zijn opgevallen. Of het boek moet hem hebben verveeld. Even later was hij al aan mijn tafeltje bijgeschoven.

Het was een Nederlander.

“Wat doe je voor werk?” vroeg ik, zo origineel mogelijk.

“Moet dat dan?” antwoordde hij, oprecht verbaasd.

Nou, nee.

Die slag was voor hem.

“Bevalt Portugal een beetje?” Ook al een vraag die geen oorspronkelijkheidsprijs verdiende.

“Ik vond het in Spanje leuker”, zei hij. Hij had duidelijk een Fries accent.

“Toch is het hier prachtig, zo tussen de bergen”, opperde ik.

“Ik hou eigenlijk meer van de zee en het strand.” Hij legde het boek neer. Abridged las ik op het stofomslag.

“Maar het is hier toch zeker wel heerlijk rustig?”

“Ik hou erg van uitgaan”, zei hij. “En meer dan dit terras op zondagmiddag hebben ze hier niet.”

Ik had hem op dat moment moeten vragen: waarom ga je dan, in vredesnaam, niet logeren naast een disco aan de Spaanse kust? Om hem vervolgens met zijn boeiende deel uit Classics for the Millions alleen te laten. Maar in plaats daarvan babbelden we voort.

Nu ja, hij timmerde wat. En als het moest metselde en stuukte hij ook. Vakantiewerk bij twee Nederlandse vriendinnen die hier in de buurt woonden, in het dorp D. beneden bij mij in het dal, een dorp met twintig inwoners en met meer varkensstallen dan huizen.

“Leuke meiden”, vroeg ik, “bij wie je vertimmert en stuukt?”

“Ze praten een vaag druïdentaaltje”, antwoordde hij, nog steeds op zijn nuchtere en Friese toon.

En zo kwam ik aan de weet dat, op nog geen twee kilometer afstand van me, al geruime tijd twee kruidenvrouwtjes woonden die in lange bloemetjesjurken rondliepen en de maan vereerden. Keltische trollen uit Heerenveen. Aanstaande dinsdagnacht zou het volle maan zijn en ze waren alweer druk bezig met allerhande voorbereidingen voor hun nachtelijke maanaanbidding. Dan zouden ze met kandelaars en loshangend haar, bezweringen murmelende, rondjes lopen tussen de zwerfkeien nabij het dorpje D. die ze voor hunebedden aanzagen.

Arme dorpelingen.

In gedachten broedde ik - de dorpelingen even vergetend - plannen uit om die nacht tonnen met kokende olie de berg af te laten rollen. Om een lawine te veroorzaken, met kei op kei op kei. Om een beddelaken over mijn kop te trekken en als fop-druïde, zwaaiend met een winterwortel, de gekkinnen de stuipen op het lijf te jagen.

Maar het leek me beter mijn geliefde landgenoten in den vreemde voorlopig weer even te mijden.