Hemelse en vredige middeleeuwse boeken

Middeleeuwse boeken van het Catharijneconvent. Het Catharijneconvent, Nieuwegracht 63 in Utrecht. Tot en met 13 juni. Di t/m vr 10-17, za, zo, beide paasdagen, koninginnedag, bevrijdingsdag, hemelvaartsdag en beide pinksterdagen 11-17, Catalogus door W.C.M. Wüstefeld ƒ 49,50 (paperback) ƒ 75 (gebonden).

Voor het eerst in de geschiedenis van het Rijksmuseum het Catharijneconvent in Utrecht is nu een grote expositie te zien van ongeveer 160 middeleeuwse boeken uit eigen bezit, gekozen rond thema's al de geschiedenis van de bijbel, de invloed van de Karolingische hervorming en illustraties in getijdenboeken. Vanaf morgen, 8 april is de expositie geopend voor het publiek.

Bij de oprichting van Rijksmuseum het Catharijneconvent in 1976 werden de kerkelijke verzamelingen bijeengevoegd van het Aartsbisschoppelijk Museum in Utrecht, het Bisschoppelijk Museum in Haarlem en het Oud-Katholiek Museum in Utrecht. Ook de bibliotheken van deze instellingen vonden toen onderdak in het nieuwe museum, een verbouwd klooster van de Utrechtse Johannieters. Later verwierf het museum de bibliotheek van het voormalig Seminarie in Warmond. Aankopen, schenkingen en bruiklenen brachten het middeleeuws boekenbezit - daar gaat het dit voorjaar om - tot circa 900 exemplaren: 300 handschriften, 150 incunabelen (gedrukt voor 1501) en 550 post-incunabelen.

Het museum exposeert in de vaste opstelling altijd veel literatuur. Naast liturgisch vaatwerk ligt bijvoorbeeld een handschrift waarin een monstrans is afgebeeld.

Bij de vandaag officiëel geopende expositie "Middeleeuwse boeken van het Catharijneconvent' hoort een mooi gellustreerde catalogus die vaak zeer gedetailleerd, de handschriften en gedrukte boeken beschrijft.

Het blijft overigens een bezwaar van boekexposities dat er nooit meer dan twee pagina's opengeslagen liggen. Hoe fraai de lay-out van de geschreven of gedrukte tekst ook is en hoe bijzonder de miniaturen en andere decoraties zijn, veel moois blijft verborgen. Een andere pagina openleggen betekent dat het handschrift of de incunabel opnieuw moet worden "opgebonden' zodat het boekvlak open blijft liggen. Dat opbinden doet de oude banden (en het grootste deel van het museale boekenbezit heeft nog de oorspronkelijke banden) geen goed. Met kleurendia's probeert men in Utrecht zoveel mogelijk bladen van de belangrijkste exemplaren te tonen, maar het blijft behelpen.

Een prominente plaats op deze tentoonstelling nemen drie oude, vermaarde handschriften in: de Romaanse codices (kerkelijke wetboeken) van Lebunus, Ansfridus en Bernulfus. Vooral de banden, samengesteld uit verschillende elementen, maken grote indruk. Het voorplat van de Lebunuscodex, jonger dan de tekst die uit de negende eeuw stamt, toont de vier evangelisten. Zij vullen de armen van een opengewerkt zilveren kruis. Tot zover past de band uitstekend bij de inhoud van het handschrift dat de vier Evangeliën bevat. Merkwaardig is echter dat in het midden van het kruis, waar men een afbeelding van Christus verwacht, een calcedoon Bacchuskopje is bevestigd. Edelstenen en cameeën versterken het kostbare effect van het geheel. Een dergelijke prachtband kregen de gelovigen slechts op kerkelijke hoogtijdagen te zien. Het handschrift lag dan op het altaar of werd in een processie meegedragen. Omstreeks het midden van de vorige eeuw was de functie van de drie codices minder spectaculair. Op de zolder van een Deventer pastorie dienden ze als verzwaring van een mangelpers. Het Aartsbisschoppelijk Museum redde deze pronkstukken van verder verval.

Het Catharijneconvent bezit ook een exemplaar van een overvloedig gellustreerde uitgave die in 1493 van de drukpers kwam: de "Wereldkroniek' van de Neurenbergse humanist en stadsarts Hartmann Schedel. Zoals gebruikelijk is dit middeleeuwse geschiedwerk verdeeld in zes perioden. Het zesde tijdperk begint met Christus' geboorte en besluit met het einde der tijden. In een zevende periode wordt het apocalyptische einde zeer indringend verbeeld. Het volumineuze werk bevat ruim 1800 houtsnedes, voor een deel van de hand van Michael Wohlgemut. Dat de kwalijke praktijk van roofdrukken niet van vandaag of gisteren dateert, bewijst een illegale, verkorte uitgave die in 1497 in Augsburg verscheen. De roofdruk is kleiner van afmetingen en de prenten bereiken niet het niveau van de "echte' Schedel. Heel duidelijk blijkt dat verschil in de Dodendans, een illustratie uit het zevende tijdperk van de wereld. Is die Dodendans in het origineel een huiveringwekkende dans van geraamten die de vergankelijkheid van het menselijk leven benadrukken, in de illegale uitgave zijn de dansers eerder engerds die gymnastische toeren uithalen.

Op deze expositie van middeleeuwse boeken ontbreken uiteraard niet verschillende bijbels, al of niet van prenten voorzien. Ook is er een vitrine met werken van de kerkvaders Ambrosius, Augustinus, Hieronymus en Gregorius. Dit laatste onderdeel van de tentoonstelling is voor hedendaags publiek minder interessant dan voor de toenmalige kloosterlingen voor wie de teksten studie-onderwerp waren. Even weerbarstig van inhoud zijn de perkamenten fragmenten met muzieknotaties in neumentekens en de (weinige) juridische handboeken, waaronder een handboek voor de inquisitie.

Uit de nog vrijwel onbekende bibliotheek van het Seminarie Warmond exposeert het museum "De Re Militari', een handboek over krijgskunde uit 1534. De getoonde illustratie beeldt een stormtoren af, een houten stellage met verschillende platforms. Het bouwwerk moest hoog genoeg zijn om boven de borstwering van het te belegeren kasteel uit te steken. De aanvallers konden dan met pijlen en anderszins de verdedigers van de kantelen verdrijven of doden.

De martiale kant van de middeleeuwen legt het in Utrecht af tegen de innige devotie die uit brevieren, gebeden- en getijdenboeken spreekt. Een zeer fraai gebedenboek is dat van Beatrijs van Assendelft, omstreeks 1485 in Delft gemaakt. Het handschrift telt elf grote miniaturen en 32 bladen met initialen en margeversieringen. Drie anonieme kunstenaars (zij zijn onder noodnamen bekend) werkten aan dit persoonlijke brevier mee. Het is waarschijnlijk vervaardigd ter gelegenheid van de intrede van Beatrijs in het Haarlemse klooster Maria ter Zijl. Bij die intrede werd bedongen dat Beatrijs van een aantal verplichtingen ontheffing zou krijgen. Zij moet een zwakke gezondheid hebben gehad want in het brevier ontbreken de gebeden voor de nacht. Kennelijk kon zij het niet opbrengen de "nocturnen' mee te bidden.

De decoraties zijn een duidelijk aan de vrome inhoud gebonden kunstvorm. De miniaturen ondersteunen en verduidelijken de religieuze tekst. De felheid van het leven in het herfsttij van de middeleeuwen komt maar zeer ten dele tot verbeelding in het werk van de verluchters. Het heftige, gepassioneerde bestaan lijkt nooit doorgedrongen te zijn in hun werkvertrek. In de zalen van het Catharijneconvent overheerst dan ook het serene, het vredige, het hemelse.