Goudschat uit Troje verborgen in Poesjkin Museum

ROTTERDAM, 7 APRIL. De door Heinrich Schliemann in 1873 opgegraven "Goudschat van Priamus', die aan het eind van de Tweede Wereldoorlog spoorloos uit een Berlijnse opslagplaats verdween, wordt verborgen gehouden in het Poesjkin Museum.

Dit schrijft de Oekraiense kunsthistoricus Konstantin Akinsja in het aprilnummer van het Duitse tijdschrift Art. Akinsja baseert zich op informatie die hij vond in het sinds enkele jaren openbare Centrale Staatsarchief voor Literatuur en Kunst in Moskou. Officiële Russische documenten uit de periode juni-juli 1945 maken duidelijk dat Schliemanns schatten na confiscatie door het Rode Leger werden overgevlogen naar Moskou; dat de 259 in Hissarlik (Turkije) opgegraven zilveren en gouden objecten, waaronder het beroemde "Diadeem van Helena', werden opgeslagen in de numismatische afdeling van het Poesjkin Museum; en dat de tegenwoordige directrice van het museum, Irina Antonova, als conservator tekende voor ontvangst. Dit laatste is opmerkelijk aangezien Antonova, die lid is van het Staatscomité voor de Teruggave van Oorlogsbuit, altijd heeft ontkend dat de "Goudschat van Priamus' zich in een Russisch museum bevindt. Anderhalve maand geleden kwamen haar beweringen al op losse schroeven te staan toen de Russische minister van cultuur, Jevgeni Sidorov, in Dresden tegenover het Duitse Minsterie van Binnenlandse Zaken toegaf dat de schat wel degelijk in Moskou was. De "Goudschat van Priamus' werd in 1873 door de autodidact-archeoloog Heinrich Schliemann gevonden in de Hissarlik-heuvel aan de Turkse oostkust. Met, zoals hij zelf verklaarde, de Ilias van Homerus in de hand was hij daar op zoek naar het legendarische Troje van koning Priamus, dat door de Grieken in de prehistorie verwoest was. Schliemann vond de goudschat naar eigen zeggen in de tweede van de vier prehistorische bewoningslagen die hij tussen 1871 en 1873 had blootgelegd - en smokkelde hem in de sjaal van zijn vrouw Sophia weg van de vindplaats. De meeste van de door Schliemann opgegraven voorwerpen - in totaal 9000, inclusief de "Priamus-schat' en de "Juwelen van Helena' - werden na onderhandelingen met de autoriteiten via Londen vervoerd naar Berlijn. Daar werden ze vanaf 1881 getoond in het Museum voor Volkenkunde. In 1922 werden ze definitief verplaatst naar het Museum voor Pre- en Protohistorie. Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog de geallieerde bombardementen op Berlijn begonnen, werden de belangrijkste delen van de museumcollectie overgebracht naar een bunker bij de Berlijnse Zoo. Over de authenticiteit van de "Goudschat van Priamus' zijn altijd veel twijfels geweest. Op basis van de vele onzorgvuldigheden en leugens in de opgravingsdagboeken van Schliemann hebben moderne archeologen geopperd dat de vondst was samengesteld uit materiaal dat Schliemann gedurende een periode van jaren had opgegraven, of zelfs uit voorwerpen die op de zwarte markt in Turkije waren aangekocht. Die beweringen heeft men nooit met behulp van de modernste archeologische technieken kunnen toetsen. Als de kostbaarheden binnenkort uit hun schuilplaats komen, kan dat eindelijk gebeuren.