Ernst ongeluk Tomsk hangt af van ouderdom materiaal

ROTTERDAM, 7 APRIL. Voor zover uit de eerste berichten over de explosie van een tank met radioactief afval bij Tomsk valt op te maken, lijkt dit ongeval als twee druppels water op het beruchte ongeluk in de zuidelijke Oeral in september 1957. Bij dat ongeluk, in de omgeving van de plaats Tsjeljabinsk, werden vele honderden vierkante kilometers land radioactief besmet en moesten tientallen dorpen en kolchozen worden ontruimd.

Ook nu blijkt er sprake te zijn van een roestvrijstalen vat met radioactief afval in een "chemische fabriek' in de omgeving van een kernwapencomplex. Omdat wordt opgegeven dat zich bij de explosie geen plutonium heeft verspreid mag worden aangenomen dat zich in het vat het hoogactieve afval bevond van een zogeheten opwerkingsfabriek. Dat soort fabrieken (in Europa alleen te vinden in Frankrijk en Engeland) wint plutonium en uranium terug uit bestraalde splijtstofstaven.

Daar is in de loop van de decennia een aantal verschillende procédés voor bedacht maar het in de VS ontwikkelde en welbeschreven Purex-proces is tegenwoordig favoriet. Bij dat proces worden bestraalde splijtstofstaven (die 3 tot 7 jaar hebben staan afkoelen) vermalen en opgelost in kokend salpeterzuur. Daarna wordt het uranium en plutonium uit de oplossing teruggewonnen door dat in contact te brengen met een 30 procents oplossing van tributylfosfaat (TBP) in een kerosine-achtig oplosmiddel waarin uranium en plutonium selectief oplossen. Het restprodukt bevat dus hoogactief afval in salpeterzuur (geciteerde Russische deskundigen noemen het salpeterzuur met name, maar beweren dat het afval ook nog uranium bevat).

Dit afval wordt in Rusland gewoonlijk opgeslagen in grote, door beton omgeven tanks (met een inhoud van enige tientallen kubieke meters) die zich geheel of gedeeltelijk onder de grond bevinden en voortdurend kunstmatig gekoeld worden omdat het hoogactieve afval veel hitte produceert.

Ook bij Tsjeljabinsk heeft zich in 1957 een explosie voorgedaan in zo'n opslagtank. Hoewel de Sovjet-Unie pas in de zomer van 1989 opening van zaken gaf is nooit helemaal duidelijk geworden hoe de explosie ontstond. De informatie die het IAEA in Wenen werd overhandigd sprak van de ontsteking van een mengsel van natriumacetaat en natriumnitraat nadat de koeling van de opslagtank was uitgevallen. Amerikaanse deskundigen hebben andere verklaringen gegeven.

De Russische autoriteiten bagatelliseren het ongeluk bij Tomsk. Of dat terecht is is onduidelijk. Bij voorkeur drukt men de omvang van een nucleair ongeluk uit in de totale hoeveelheid activiteit die is vrijgekomen (met curies of bequerels als maat). Tot dusver zijn alleen de stralingsdoses waaraan mensen werden blootgesteld bekendgemaakt (in de verouderde "röntgens' en zonder dat werd opgegeven in hoeveel tijd die dosis werd opgelopen). Nederlandse stralingsdeskundigen schatten de dosis van 0,6 röngten die brandweerlieden opliepen op ruwweg een derde van hetgeen radiologische werkers in een heel jaar mogen oplopen. Erg verontrustend klinkt dat niet, tenzij die dosis binnen een paar minuten werd opgelopen. Bepalend voor de ernst van het ongeluk bij Tomsk zijn vooral de vullingsgraad van de tank en de ouderdom van het afval. (Het afval verliest in de loop van de jaren veel van zijn activiteit).

Aangenomen mag worden dat de explosie van een vat met vloeibaar afval een erg lokaal effect heeft. Het meeste materiaal zal omhoog worden geworpen in grove druppels die dicht bij de bron terugvallen. Ook de explosie bij Tsjeljabinsk in 1957 is niet in het buitenland waargenomen. (De rook van de felle grafietbrand in de centrale van Tsjernobyl verspreidde zich over heel Europa). De brand in een partij, kennelijk: metallisch, uranium die op de explosie volgde hoeft niet al te gevaarlijk te zijn.