Wetenschapsbudget in dienst van bedrijfsleven

Er moeten keuzes worden gemaakt welke onderzoeksgebieden zullen worden gestimuleerd en welke afgeremd, aldus het Wetenschapsbudget '93. De overheid moet woekeren met de middelen en wil daarbij ook het wetenschappelijk onderzoek ten gunste van het bedrijfsleven stimuleren.

"Wetenschappelijk onderzoek is het domein van overheid én bedrijfsleven. De overheid speelt een aanvullende rol, daar waar het bedrijfsleven niet in staat is om onderzoek tot stand te brengen of daar waar het gaat om onderzoek dat voor de overheid als publieke producent van goederen en diensten nodig is.'

Het is niet - zoals gemakkelijk verondersteld kan worden - een woordvoerder van het bedrijfsleven die hier aan het woord is, maar de Nederlandse minister van onderwijs en wetenschappen. De passage is ontleend aan de nota Wetenschapsbudget '93, die hij op 10 december 1992 aan de Tweede Kamer heeft gezonden en die op 1 april door de Vaste Commissie voor het Wetenschapsbeleid werd behandeld. Wetenschapsbudget '93 is een uitvoerig (ruim 150 pagina's) en gedegen document, waarin de minister zijn visie geeft op het belang van de wetenschapsbeoefening in onze maatschappij en op de rol die de wetenschap zou dienen te vervullen bij het oplossen van de problemen van onze tijd. Centraal hierin staat het "Strategisch Beleidsdocument', dat voor de eerste keer als hoofdstuk in het Wetenschapsbudget is opgenomen, en waarin de minister zijn concrete voornemens voor het wetenschapsbeleid gedurende de komende periode soms tot in detail schildert.

Toegegeven, het boven geciteerde fragment komt uit de samenvatting aan het begin van het document en een samenvatting mag wat prikkelender en minder genuanceerd klinken. Maar met misschien wat onwelwillende ogen zou men eruit kunnen lezen dat wetenschappelijk onderzoek eigenlijk alleen de taak is van het bedrijfsleven, en dat de overheid moet ingrijpen daar waar het bedrijfsleven in zijn taak tekortschiet, dat wil zeggen als het door het bedrijfsleven geëntameerde onderzoek niet voldoende, of niet voldoende snel winst oplevert.

Denkend uit de traditie en de werkelijkheid van het universitaire onderzoek lezen wij in deze visie van de minister toch een onderwaardering van een deel van het wetenschappelijk onderzoek, vooral het deel buiten de sector van natuurwetenschap en technologie. Ook spreekt uit het Wetenschapsbudget '93 een visie die het diepste wezen van onderzoek miskent: het streven van mensen om de eigen kennis en de kennis van de mensheid als totaal te vergroten, het gepassioneerd bezig zijn met de vragen die over de grenzen van ons actuele inzicht heen reiken, en dat alles zonder winstoogmerk en zonder dat praktische toepasbaarheid van deze nieuwe kennis als doel voorop staat. Onderzoek wordt vaak verricht om de intrinsieke waarde van de groeiende kennis en de vreugde over het toenemende inzicht, en wordt niet geëntameerd uit een utilitaristisch uitgangspunt, maar vloeit voort uit de dynamiek van de wetenschap zelf.

Veel wetenschapsbeoefenaars binnen en buiten de universiteiten zullen zich in de beschrijving door hun minister dan ook niet kunnen herkennen. Zolang er academies bestaan (sinds de tijd van Plato, de vierde eeuw voor het begin van onze jaartelling) en zolang er universiteiten bestaan (sinds de oprichting van het Daar al-Hikma te Bagdad in de negende eeuw) hebben mensen zich met hartstocht belangeloos gewijd aan de ontwikkeling van de wetenschap en kennis verzameld die wellicht soms tot "verhandelbare' resultaten heeft geleid, vaak ook evident niet. Vanzelfsprekend doet dat niets af aan de waarde en het belang van toegepast onderzoek dat rechtstreeks gericht is op invoering in het maatschappelijk of technologisch proces. Maar wie de zin en betekenis van de wetenschap als geheel wil begrijpen, mag de ogen niet sluiten voor de interne dynamiek van de wetenschapsbeoefening.

In het Wetenschapsbudget '93 lijkt de overheid de bevordering van het wetenschappelijk onderzoek, dat zij nu financiert via de universiteiten en ook in sterke mate via NWO (de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek), op de achtergrond te plaatsen ten faveure van haar "aanvullende' taak in het door het bedrijfsleven gefinancierde onderzoek. Dit beïnvloedt dan ook de keuzes die de overheid wil maken - keuzes die zij noodzakelijk acht wegens de beperktheid van de financiële middelen. "In het onderzoek- en wetenschapsbestel moeten dus meer dan ooit keuzes gemaakt worden die leiden tot prioritering en dus ook tot posterioritering van onderzoekgebieden. Strategische beleidsvorming op verschillende niveaus is daarbij noodzakelijk: internationaal, landelijk, en op het niveau van onderzoekinstellingen en onderzoekgroepen'.

Het instrument dat reeds is ontwikkeld en nu hiervoor moet worden aangewend is het proces van "verkenningen' per vakgebied. Wij vinden verkenningen ter beoordeling van de kwaliteit van het op een bepaald gebied verricht onderzoek in beginsel zinvol. Verkenningen doen de onderzoekers en de onderzoekgroepen aan de universiteiten inzien waar hun sterke en zwakke kanten liggen, zodat zij op basis daarvan hun beleid kunnen bijstellen. Blijkens het Wetenschapsbudget zullen verkenningen nu de basis moeten gaan vormen voor keuzes tussen onderzoekgebieden.

Die stap is veel groter en moeilijker dan de opstellers van het Wetenschapsbudget lijken te beseffen. Primaire doelstelling van verkenningen moet volgens het Wetenschapsbudget zijn: "Maatschappelijke problemen en ontwikkelingen in kaart te brengen die van belang kunnen zijn voor onderzoek op specifieke gebieden'. De overheid ziet in dit kader voor zichzelf een belangrijke rol weggelegd, onder andere in "het formuleren en vaststellen van de strategische prioriteiten'.

Intrigerend is dan vervolgens de vraag hoe en met welke middelen de overheid haar sturing van het universitaire onderzoek in de praktijk zou willen uitvoeren. Het Wetenschapsbudget is hierover tamelijk laconiek. De tekst verwijst naar de bekostiging van het universitaire onderzoek, en constateert, dat binnen het nieuwe bekostigingssysteem dat dit jaar bij de universiteiten wordt ingevoerd jaarlijks ruim 2 procent van de universitaire onderzoekmiddelen voor reallocatie door de overheid op basis van "kwaliteit en relevantie van onderzoekbeleid' in aanmerking kan worden gebracht. Zijdelings wordt vermeld, dat dit nog wel moet worden vastgelegd in een Algemene Maatregel van Bestuur, waarin de nieuwe bekostigingssystematiek wordt verankerd.

Het gaat hierbij om zeer aanzienlijke bedragen. Per jaar moet voor reallocatie door de overheid meer dan veertig miljoen worden opgebracht. Dat bedrag zal worden verhaald op universitaire sectoren die bij de bepaling van prioriteiten buiten de prijzen zijn gevallen. Dat hierbij vooral de alfa- en gammawetenschappen zullen worden getroffen ligt, de ervaringen in het verleden in aanmerking genomen, voor de hand. Is er iemand die gelooft dat er bij de kaal geplukte faculteiten die zich aan deze wetenschappen wijden, jaar na jaar bedragen van deze orde van grootte te halen zijn? Waar zou het geld vandaan moeten komen? Het ontslaan van personeel biedt geen oplossing, want wachtgelden komen sinds kort voor rekening van de instelling.

Als het aan de minister ligt komen er dus twee soorten van wetenschapsgebieden: gebieden die prioriteit verdienen en waar extra geld naar toe moet worden gesluisd, zogenaamde "plusgebieden', en gebieden waaraan geen prioriteit wordt toegekend, de "mingebieden'. Een begin daarvan is in het "Strategisch Beleidsdocument' al gemaakt: daar wordt een flink aantal prioriteiten aangegeven, maar geen of nauwelijks "posterioriteiten'. Hoe deze "mingebieden', zullen worden bepaald, wordt in het vage gehouden. Volgens het Wetenschapsbudget zal dat gebeuren "via verschuivingen in het kader van de nieuwe universitaire onderzoekbekostiging'. Maar hoe? En wie wordt de dupe?

Blijkens de tekst ligt het in het voornemen van de minister "in de budgetten van 1994 nog geen reallocatie tussen universiteiten te overwegen, maar in goed overleg met en tussen universiteiten afspraken te maken hoe de uitkomsten van het huidige verkenningenproces met ingang van volgend jaar kunnen worden opgenomen in het onderzoekbeleid van de afzonderlijke instellingen.'

Met andere woorden, er zal alleen op lokaal niveau, dus binnen de universiteiten, met middelen kunnen worden geschoven. Maar dit staat dan weer op gespannen voet met het door de minister gewenste landelijke beleid. De lijst van prioriteiten maakt een tamelijk willekeurige indruk; de keuzes blijken vaak afhankelijk van de allerlaatst ondernomen verkenningen en zijn ook sterk bepaald door de behoeften van de moderne technologie.

Aantal en omvang van de terreinen die extra gestimuleerd zouden moeten worden, zijn trouwens buitengewoon groot. Als al die gebieden - meer dan twintig - tegelijk bevorderd moeten worden, dan zouden de stimuleringsacties elkaar wel eens hinderlijk in de weg kunnen gaan zitten.

Voor het onderzoeksbeleid binnen de instellingen kan de hele gang van zaken fnuikend zijn. Immers: hoewel in het Wetenschapsbudget geen alomvattende en definitieve afweging wordt gemaakt, zullen universiteiten zich nu al proberen in te dekken tegen een mogelijke interuniversitaire re- allocatie. Wellicht zullen zij trachten aan de prioriteitenlijst van het Wetenschapsbudget tegemoet te komen. Gebieden die nu toevallig net niet in de tekst als zodanig worden genoemd zullen daarvan de dupe zijn.

Sommige van die gebieden zouden trouwens best over twee jaar nu juist weer wél als te prioriteren gebieden kunnen worden aangewezen. Want al zegt de minister dat hij zich richt op lange-termijnprocessen, de termijnen die hij voor ogen houdt zijn in feite maar kort. De minister stelt zich voor dat de verkenningen zullen leiden tot vierjaarlijkse uitspraken, die in de daarop volgende periode ingevoerd zullen worden. Tegelijk verwacht hij dat al over twee jaar "de resultaten van een breder front van verkenningen' beschikbaar zullen zijn. Men krijgt de indruk dat hier vooral de politieke tijdklok met zijn jachtige tik van kabinetsperioden het tempo heeft gedicteerd.

En dan te bedenken dat de mogelijkheden tot reallocatie binnen de universiteiten maar beperkt zijn. Want de specialisatiegraad van wetenschappelijk onderzoekers is hoog en er moet rekening gehouden worden met de randvoorwaarden van hun ambtelijke rechtspositie. Veel universiteiten hebben juist besloten om deze smalle marges te gebruiken om intern te realloceren op basis van kwaliteit; de ministeriële impulsen kunnen zodoende een volledig averechtse uitwerking hebben en het ingezette kwaliteitsbeleid verstoren.

Het universitaire onderzoek zal zeker gebaat zijn bij verkenningen. Maar het is allerminst gebaat bij een voortdurende dreiging van reallocaties en reducties die niet gebaseerd zijn op intrinsieke wetenschappelijke kwaliteit.

De snelle opeenvolging van beleidsvoornemens, de wisseling van prioriteiten en de creatie van steeds nieuwe structuren wekt bij wetenschapsbeoefenaars heimwee op naar de Academie van Plato of het Daar al-Hikma van Bagdad.