Toekomst EG steeds meer bepaald door het oosten

BRUSSEL, 6 APRIL. Terwijl de Verenigde Staten niet meer dan “een peuleschil” over hebben voor Rusland - zoals de Duitse minister van economische zaken gisteren het hulpaanbod van president Clinton aan Jeltsin kwalificeerde - volgt de Europese Gemeenschap zo haar eigen koers om de hervormers in Moskou rugdekking te geven. Indachtig het adagium dat "trade' nog beter is dan "aid' krijgt Rusland uitzicht op een vrijhandelsakkoord met de EG.

Een heuse vrijhandelszone tussen beide "partners' zal niet vandaag of morgen zijn gerealiseerd en waarschijnlijk zelfs niet deze eeuw; daarvoor moet er economisch en politiek nog veel te veel worden hervormd in Rusland. Maar toch hoopt Brussel alleen al met de aankondiging van nauwere samenwerking een zodanig “belangrijk politiek signaal” te hebben afgegeven dat de hervormingsgezinden voorlopig vooruit kunnen, het liefst natuurlijk onder de blijvende leiding van Jeltsin zelf.

Sinds afgelopen herfst voert de Europese Commissie besprekingen met Moskou over de invulling van een nieuwe "partnerschap'-overeenkomst. En het waren de Russen zelf die er op aandrongen om het perspectief van volledige vrijhandel in de onderhandelingen op te nemen, een mogelijkheid waarmee de EG vorig jaar nog geen rekening hield.

Dat laatste illustreert nog maar eens dat de ontwikkelingen in Europa nauwelijks bij te benen zijn. Met de te sluiten overeenkomst met Rusland voegt de Europese Gemeenschap een nieuw type akkoord toe aan het palet van samenwerkingsverbanden dat de afgelopen jaren al is gegroeid. Met Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk wordt momenteel onderhandeld over toetreding tot de EG. Met die landen (plus IJsland en Liechtenstein) is al een Europese Economische Ruimte gecreeerd. Tevens heeft Brussel onder andere zogeheten Europa-akkoorden gesloten met Polen, Hongarije, Tsjechoslowakije en onlangs met Roemenië en Bulgarije. Behalve in een verregaande economische samenwerking voorzien die akkoorden in het opzetten van een "politieke dialoog'.

Door de uitbreiding van de contacten in oostelijke richting wordt steeds duidelijker dat de toekomstige ontwikkeling van de Europese Gemeenschap steeds minder zal worden bepaald door ontwikkelingen in die gemeenschap zelf. Of, zoals oud-commissaris Frans Andriessen anderhalf jaar geleden al opmerkte: “Europese integratie moet vanaf nu ook in een ruimer verband dan alleen dat van de Gemeenschap worden bezien”. En, voegde Andriessen er aan toe: “Hier is nieuw denken vereist over de manier waarop de staten - de bestaande en de nieuwe - zich willen en kunnen incorpereren in een Europese structuur, gebaseerd op andere concenpten over soevereiniteit dan die ons uit de laatste eeuwen zijn aangereikt”.

Daarmee gaf Andriessen tegelijkertijd een indicatie omtrent de zwaarte van de post van zijn opvolger, Hans van den Broek, binnen de Europese Commissie belast met de externe politieke relaties van de EG en met de uitbreidingsonderhandelingen. Ter gelegenheid van de volgende Europese Top, in juni in Kopenhagen, krijgt de Nederlander al een mooie kans om zijn opvattingen over de toekomstige Integratie van Europa te ventileren. Op die bijeenkomst van EG-regeringsleiders, zo is afgesproken, zal namelijk worden besloten op welke manier de Europa-akkoorden met Polen, Hongarije, Tsjechoslowakije, Roemenië en Bulgarije verdiept kunnen worden en welke initiatieven nog meer kunnen worden genomen om de totstandkoming van een "Europese politieke ruimte' en een "Europese vrijhandelszone' te bevorderen. Aan Van den Broek de taak om de komende maanden een blauwdruk voor het Europa van 2000 op te stellen.

Het "partnerschap-akkoord', waarover Brussel nog voor de top van juni overeenstemming hoopt te bereiken met Rusland, gaat minder ver dan de zogeheten Europa-overeenkomsten. Het belangrijkste verschil is dat Rusland niet, en Polen, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Roemenië en Bulgarije wel uitzicht is geboden op een eventueel lidmaatschap van de Europese Gemeenschap, afhankelijk van de politieke en economische ontwikkelingen in die landen. Juist over de gewenste en noodzakelijke voorbereiding van de betrokken landen op toetreding tot de Europese Unie zullen in Kopenhangen nadere besluiten worden genomen.

Rusland hoeft zich niet voor te bereiden op toetreding tot de EG. Desondanks betekent de status van "meest begunstigde handelsnatie' die het land zal krijgen, een belangrijke stap voorwaarts in de relatie met de EG. De komende jaren, zo mag worden verwacht, zal de handel tussen Rusland en de gemeenschap steeds vrijer worden, net zoals dat is voorzien in de Europa-akkoorden die zijn gesloten met de Middeneuropese landen. Zo groeit dus het mooie vooruitzicht van één grote Europese vrijhandelszone van de Noordzee tot ver in Siberië.

Maar er zit een flinke adder onder het gras, waardoor veel van de pret bij voorbaat wordt bedorven. In de Europa-akkoorden zit een aantal clausules die Brussel de mogelijkheid biedt om de grenzen geheel of gedeeltelijk te sluiten indien het evenwicht op de EG-markt wordt verstoord door een te grote import van goederen. Brussel heeft het recht, zo is vastgelegd in zogeheten vrijwaringsclausules, om zich te beschermen tegen de invoer van onder andere textiel, voedingsmiddelen en staal als de eigen producenten daar te veel last van krijgen, ook al is er formeel geen sprake van dumping of van concurrentievervalsende subsidies.

Het vervelende is dat de produkten die op die manier kunnen worden geweerd, juist die basisprodukten zijn, waarmee de Midden- en Oosteuropese landen de internationale concurrentie willen en kunnen aangaan, en daarmee de relatief zwakke en politiek zeer gevoelige sectoren binnen de gemeenschap treffen. Met andere woorden: hoe meer de Oosteuropese landen zullen exporteren, hoe groter de roep vanuit bedreigde sectoren binnen de EG zal zijn om de grenzen af te sluiten. Veelbetekenend is bijvoorbeeld dat de EG onlangs een onderzoek is begonnen naar het marktverstorende effect van de invoer van aluminium uit Rusland. Het "politieke signaal' dat de EG-ministers aan Moskou willen geven, zou de komende jaren nog wel eens voor grote spanningen in de EG zelf kunnen zorgen. Dat zelfs Britse en Franse vissers - lid van dezelfde gemeenschap - ongeneerd met elkaar op de vuist gaan over de aanvoer van hun vis, ook al zo'n basisprodukt, is in elk geval geen erg hoopvol teken.