Spaanse premier wil eind maken aan corruptieschandaal; In Madrid zijn de messen geslepen

MADRID, 6 APRIL. De messen zijn geslepen en getrokken, in het paasweekeinde wordt er geslacht. Felipe Gonzalez, minister-president en leider van de socialistische partij van Spanje (PSOE), heeft besloten een eind te maken aan het corruptieschandaal dat nu al bijna twee jaar aan zijn reputatie knaagt en in de afgelopen weken is uitgegroeid tot de ernstigste belemmering voor het behalen van een gunstige uitslag bij de parlementsverkiezingen van dit najaar. Er kan niet meer worden gewacht. Het gaat om het voortduren van het socialistische bewind in Spanje en om zijn eigen vierde ambtstermijn. Maar het grootste obstakel is voorlopig zijn eigen partij.

Zaterdag komt het partijbestuur bijeen en dan wil de premier koppen zien rollen. Er moet een zondebok, misschien wel een hele kudde van deze dieren, worden aangewezen om de schuld voor de zogenaamde "affaire-Filesa' mee de woestijn in te nemen. Er moet duidelijk zichtbaar, op het hoogste niveau, politieke verantwoordelijkheid worden genomen.

Aanvankelijk was de cruciale bijeenkomst al voor maandag, gisteren, geconvoceerd. Maar de weerstand tegen de eisen van Gonzalez was binnen de partijtop nog te groot. Tweede man Alfonso Guerra - voormalige vice-premier en al dertig jaar tegelijkertijd Gonzalez' naaste medewerker en eeuwige tegenstrever - bleef volhouden dat de beschuldigingen van corruptie een verzinsel van de media waren, een complot van rechts en een kwestie waar de partij zich niets van aan hoefde te trekken zolang de rechter geen veroordeling had uitgesproken. Zelfs als er in een later stadium schuld moest worden bekend, zou het voldoende zijn om enige relatief onbekende partijgenoten te offeren.

De rouwplechtigheden in verband met de dood van Juan de Borbon gaven Gonzalez het excuus om de vergadering uit te stellen. Minister van binnenlandse zaken José-Luis Corcuera kreeg intussen de opdracht om deze laatste week van de vasten te benutten voor het breken van de weerstand tegen de plannen van "God', zoals Gonzalez in de wandeling door zijn medewerkers wordt genoemd.

Gistermiddag werd de tegenzet van Guerra bekend. Partijsecretaris Txiki Benegas, de "nummer drie' in het organigram van de PSOE, publiceerde de brief die hij vorige week aan Gonzalez had gestuurd om zijn functie beschikbaar te stellen. Daarin staat geen woord over zijn verantwoordelijkheid in verband met de corruptie-affaire; die wordt zelfs niet genoemd. Het is een opeenstapeling van beschuldigingen aan “leden van de regering die zich in de anonimiteit verschuilen” en "vernieuwers van niks”. Benegas meent namelijk dat “niets wat er op dit ogenblik gebeurt toevallig is” en suggereert dat er een complot bestaat om de socialistische partij van Spanje te splijten. “Altijd wanneer in de Spaanse Socialistische Arbeiderspartij de interne solidariteit werd verbroken, braken er slechte tijden aan voor Spanje”, voegt de partijsecretaris daar, met een verwijzing naar de jaren dertig, waarschuwend aan toe.

In het PSOE-hoofdkwartier aan de Calle Ferraz werd gisteren druk getelefoneerd naar de voorzitters van regionale afdelingen en andere leden van het partijbestuur om steun te winnen voor het aanblijven van Benegas. Prominente socialisten die tot de "vernieuwers' worden gerekend betuigden intussen openlijk hun steun aan Gonzalez en noemden de actie van Guerra en Benegas "een afleidingsmanouevre', bedoeld om te voorkomen dat hij in de bestuursvergadering van zaterdag inderdaad de schuld op het partijkader laadt en daarna een nieuwe top samenstelt voor de verkiezingen van deze herfst. Op de radio en in de dagbladen van vanmorgen worden voor- en tegenstanders van Gonzalez geturfd. De burgeroorlog in de PSOE is openlijk en in alle hevigheid uitgebroken.

Felipe Gonzalez wordt als politicus gekenmerkt door een grote mate van geduld; met enige regelmaat wordt hem besluiteloosheid en afwezigheid verweten. Maar als hij ingrijpt doet hij dat krachtig en zet hij zijn volle gewicht erachter. Ergens in de afgelopen twee weken moet hij beseft hebben dat het zò niet langer kon. Misschien was het op het moment dat de belastinginspecteurs die in opdracht van de rechter van instructie de boekhouding van zijn partij controleerden, met een rapport kwamen waaruit onomstotelijk bleek dat grote ondernemingen uit binnen- en buitenland de PSOE geld hadden toegestopt via duistere adviesbureautjes zoals Filesa. Wellicht kwam het door de publikatie van een grootscheepse opiniepeiling waaruit bleek dat de rechtse Partido Popular kans maakt dit najaar meer stemmen te trekken dan de socialisten. Maar het kunnen ook de studenten zijn geweest die hem door het roepen van "dief!' en "oplichter!' het spreken vrijwel onmogelijk maakten tijdens een bezoek aan een Madrileense universiteit, waar hij zo aardig had willen vertellen over zijn eerste kennismaking met de politiek, in het studentenverzet tegen Franco.

Het had hem werkelijk pijn gedaan, dat incident, bekende hij afgelopen weekeinde in een vraaggesprek. Maar in diezelfde collegezaal, dwars door het gejoel heen, had hij ook voor het eerst gesproken over het nemen van politieke verantwoordelijkheid voor het financieringsschandaal en daarbij nadrukkelijk gewezen op de uiterste consequentie van die houding: zijn eigen aftreden als partijleider en wellicht ook als minister-president. “Er is een politieke verantwoordelijkheid, ik ben bereid die op mij te nemen”, zei Gonzalez.

In den lande was niet direct duidelijk hoe deze woorden moesten worden geïnterpreteerd, maar in de partijtop werd de boodschap onmiddellijk begrepen. Als Gonzalez ooit verdwijnt dan zal het goed-voorbereid en weloverwogen zijn. Maar als hij in het openbaar plotseling over aftreden begint, oefent hij druk uit. Dan moet er iets afgedwongen worden.

In 1979 gaf hij zijn leiderschap er aan, omdat het partijcongres de marxistische beginselen niet wilde afzweren. Gonzalez achtte dit echter onontbeerlijk voor het veroveren van de gunst van gematigde kiezers en de sleutel tot de absolute meerderheid (die in 1982 inderdaad werd behaald). De partij moest dus op de knieën: vier maanden na zijn aftreden werd hij tijdens een buitengwoon congres teruggevraagd en van Karl Marx is sindsdien binnen de PSOE niets meer vernomen.

In 1986 herhaalde Gonzalez deze manoeuvre met het NAVO-referendum. Hij was aan de regering gekomen met een programma waarin het uittreden uit het bondgenootschap op een prominente plaats stond vermeld. Nu maakte de jonge premier zijn aanblijven afhankelijk van een "ja' voor de NAVO. Eerst moest de partij van de noodzaak worden overtuigd, daarna de natie. Gonzalez won. Maar de campagne die de PSOE voor het "ja' organiseerde, kostte, behalve een aantal principiële partijleden, ook zo'n zeshonderd miljoen peseta - en die uitgave werd niet, zoals bij verkiezingen, door subsidies gecompenseerd. Daardoor is het enorme tekort ontstaan in de partijkas. Een tekort dat men in het zicht van het verkiezingsjaar 1989 begon aan te vullen met commissies van bedrijven die grote contracten met de overheid afsloten of om andere redenen bij de regering in een goed blaadje wilden staan.

Deze illegale praktijken hebben geleid tot de crisis waarin Gonzalez nu voor de derde keer de hoogste inzet doet die een politicus heeft te vergeven. Vertrouwelingen van de premier hebben laten uitlekken dat hij werkelijk bereid is om op te stappen en daarmee de verkiezingen aan de oppositie cadeau te doen. Volgens het dagblad Diario 16, dat doorgaans over goede bronnen binnen de partij beschikt, zou Gonzalez niet eens meer over twee weken het jaarlijkse debat over de toestand van de natie willen voeren als hij zijn zin niet krijgt.

Voor de PSOE zou dat rampzalig zijn. Op de bijeenkomst van aanstaande zaterdag zal er ongetwijfeld op worden gewezen dat de verantwoordelijkheid voor de illegale financiering in laatste instantie uiteraard berust bij de man die al die tijd zowel aan het hoofd van de partij als van de regering heeft gestaan. Maar hoe waar die bewering op zichzelf ook moge zijn, de partij schiet er niets mee op. Ze zou zichzelf er alleen maar verder het dal mee in helpen, want ze is nu eenmaal voor electoraal succes volledig op Gonzalez aangewezen.

Dezelfde enquêtes die wijzen op een dreigende verkiezingsnederlaag in het najaar, laten zien dat "Felipe' nog altijd veruit de populairste politicus is van het land. Het is heel goed mogelijk dat de geënqueteerden die door het uitspreken van een voorkeur voor de Partido Popular nu lucht geven aan hun bezorgdheid over de economische crisis en hun ergernis over de corruptie van de socialisten, straks in het stemhokje toch kiezen voor de staatsman Gonzalez. De leider van de PP, José-Maria Aznar, komt volgens de peilingen zelfs niet in zijn buurt als het gaat om vertrouwen in de persoon van de volgende premier.

Helaas gaapt er een forse kloof tussen het electoraat dat de PSOE tot nu toe drie maal achtereen aan een absolute meerderheid in het Huis van Afgevaardigden heeft geholpen en het kader van de partij. Gonzalez zelf heeft ooit gezegd dat zeker de helft van de stemmen die op de PSOE werden uitgebracht "geschonken' waren, dat wil zeggen afkomstig van kiezers met een voorkeur voor een centrum-partij met een realistisch programma en niet van overtuigde socialisten. Met die gematigde, lauwe kiezers valt echter geen partij te vormen. De organisatiegraad in Spanje is laag; in verhouding met het aantal behaalde stemmen en vergeleken met andere socialistische partijen in Europa heeft de PSOE weinig leden. Onder leiding van Guerra en Benegas is met die weinige getrouwen niettemin een efficiënt apparaat opgebouwd dat bij verkiezingscampagnes tot dusver voortreffelijke diensten heeft bewezen. Het is een apparaat dat onderlinge solidariteit, samenwerking met de vakbonden en linkse politiek hoog in het vaandel heeft. Gonzalez heeft het nodig, zoals het apparaat op zijn beurt Gonzalez nodig heeft.

In de bijna twintig jaar dat Gonzalez en Guerra nu de PSOE leiden is de spanning tussen de wensen van het partijkader en het programma dat een breed spectrum aan kiezers moest trekken een constante. Conflicten voltrokken zich altijd volgens de breuklijnen van deze tegenstelling. Het huidige, derde kabinet-Gonzalez is echter het eerste zonder Guerra als vice-premier en mèt een aantal ministers (zoals Solchaga, Borrell, Serra) dat openlijk de confrontatie zoekt met de partij. De minister-president heeft lang geprobeerd de onenigheid te verdoezelen en met een beroep op het gemeenschappelijk belang de eenheid te bewaren in het zicht van de komende verkiezingen. Kennelijk gelooft hij daar niet meer in. Hij voelt er bovendien niets voor om straks het lot te delen van de Franse socialisten, die zich veel te lang onkwetsbaar hebben geacht en door de kiezers hardhandig zijn afgestraft. En Spanje mag al helemaal geen Italië worden, waar een heel politiek systeem door financiële misdrijven verkankerd is geraakt. Gonzalez wil nù snijden en vernieuwen, want straks is het te laat.

De uitdaging van zaterdag geldt een paar van zijn oudste en trouwste medewerkers en die medewerkers hebben de handschoen opgeraapt. Wat Gonzalez van hen vraagt, is dat ze zichzelf opofferen zodat de partij tot nieuw leven kan worden gewekt wanneer de paasklokken luiden. Maar tot dat offer zijn ze vooralsnog niet bereid.