Regering wanhopig op zoek naar banen

In Spanje gaan op dit moment elke dag drieduizend banen verloren en een onbekend, maar vermoedelijk niet onaanzienlijk aantal stemmen voor de socialistische arbeiderspartij. Eind vorig jaar, zo is medio februari gebleken, werd de historische grens van drie miljoen werklozen overschreden.

De twee miljoen werklozen die het land aan het eind van de jaren zeventig telde waren naar het oordeel van de toenmalige oppositieleider Felipe Gonzalez een zo grof schandaal dat hij alleen al op grond van dit cijfer het aftreden van de regering-Suarez eiste. Als premier geeft Gonzalez blijk van aanzienlijk meer sereniteit. De kern van zijn boodschap is: de huidige crisis is conjunctureel, Spanje is rijker en staat er in vrijwel ieder opzicht beter voor dan tien jaar geleden, loonmatiging is het beste middel om inflatie en werkloosheid te bestrijden, juist nu moet het land de aansluiting met Europa niet verliezen.

De opvallendste maatregel die de regering tot nu toe heeft genomen om de werkgelegenheid te verruimen is het in gang zetten van een proces dat moet leiden tot een verregaande liberalisering van de arbeidsmarkt. Individueel zowel als collectief ontslag moet makkelijker worden, zo vinden Gonzalez en zijn minister van economische zaken en financiën, Carlos Solchaga. Verlenging van de termijn voor tijdelijke arbeidscontracten (van drie naar vier jaar) moet op korte termijn tienduizenden ontslagen voorkomen.

Hoewel de regering vrijwel dagelijks verkondigt dat zij zelfs in de huidige omstandigheden niet voor de verleiding van een actief stimuleringsbeleid zal bezwijken, zijn in de afgelopen weken wel degelijk grootse plannen ontvouwd die banen zullen scheppen.

Begin vorige maand werd een schema voor de verbetering van autowegen en spoorverbindingen gepresenteerd waaraan in de komende vijftien jaar naar de huidige schatting zeker 18 biljoen peseta zal worden uitgegeven.

Vrijdag gaf het kabinet zijn goedkeuring aan een saneringsoperatie voor de Spaanse kusten, die 250 kilometer nieuw strand en honderdvijfentwintig nieuwe boulevards moet opleveren. De projecten moeten worden gefinancierd in samenwerking met lagere overheden en met behulp van geld uit de nieuwe cohesie-fondsen van de EG. Ze zorgen eerst voor werk in de bouw en daarna bevorderen ze hopelijk het enigszins kwijnende toerisme.

Aangekondigd maar nog niet goedgekeurd is het Nationaal Hidrologisch Plan dat voorziet in de aanleg van honderdvijftig stuwmeren en een buizenstelsel dat tot in de verste uithoeken van het land voor een gestage toevoer van water moet zorgen, zelfs in een periode van droogte zoals Spanje die nu doormaakt.

Solchaga gaf onlangs openlijk toe dat het tamelijk moeilijk zal zijn om het begrotingstekort in 1996 teruggebracht te hebben tot de nagestreefde één procent van het bruto nationaal produkt. In 1992 moest de staat nog voor een bedrag gelijk aan 2,4 procent van het BNP extern financieren en dat BNP zal dit jaar niet of nauwelijks groeien, zodat extra belastinginkomsten niet zijn voorzien. De voorzitter van de Spaanse bankiersvereniging, José Luis Leal, zei vorige week bij de presentatie van zijn jaarverslag zelfs dat hij uitgaat van een krimpende economie in 1993. De minister heeft echter hoge verwachtingen van maatregelen ter verscherping van de begrotingsdiscipline, zoals het inschakelen van particuliere accountants. En verder wil hij haast maken met de privatisering van enige grote publieke ondernemingen. Het overheidsbelang in de oliemaatschappij Repsol zal volgende maand tot minder dan vijftig procent worden teruggebracht. Later in het voorjaar zal de staatsbank Argentaria vijfentwintig procent van haar aandelen op de markt brengen. En voor na de zomer staan delen van het levensmiddelenconcern Tabacalera en het scheepvaartbedrijf Trasmediterranea op de agenda.

In sommige gevallen dwingen EG-bepalingen Solchaga om haast te maken met privatisering, maar doorslaggevend is op dit moment toch vooral de behoefte aan geld van de overheid. De conjunctuur is niet gunstig voor het te gelde maken van de staatsbelangen, maar geschat wordt dat de overheid dit jaar op deze manier toch zeker 55 miljard peseta aan inkomsten kan verwerven.

De noodzaak van meer en snellere privatisering is ongeveer het enige punt op de economische agenda waarover de regering en de snel aan kracht winnende oppositie van rechts het eens zijn in de gespannen aanloop naar de verkiezingen van dit najaar. De Partido Popular wil uiteraard nog meer haast maken dan de socialisten, maar haar kritiek richt zich vooral op het veel te "Europese' beleid van Gonzalez en Solchaga. Dat kan een arm land als Spanje zich helemaal niet permiteren, meent PP-leider José Maria Aznar. Als het aan hem ligt verlaat Spanje zo snel mogelijk het EMS en neemt het maatregelen die vooral de kleine en middelgrote ondernemingen beschermen tegen de toenemende concurrentie van buiten. Het werkgeversverbond heeft zich inmiddels ook in de pre-verkiezingscampagne gestort door het uitspreken van een algehele afkeuring van het economisch beleid en publikatie van een eigen programma van eisen, dat grote gelijkenis vertoont met dat van de PP. Opvallendste werkgeverswens: onmiddellijke verlaging van de rente met vier of vijf punten, ongeacht de gevolgen die dat heeft voor de inflatie, het vertrouwen van buitenlandse investeerders en de waarde van de peseta.

De geïsoleerde positie van het kabinet, dat al geruime tijd op slechte voet staat met de vakcentrales, maakt buitenlandse analisten zenuwachtig over de koersvastheid van het beleid voor de komende jaren. De gisteren uitgebroken crisis in de regeringspartij wordt volgens het dagblad El Pais door invloedrijke bankiers en deviezenhandelaren zelfs gezien als mogelijke inleiding voor een grote aanval op de peseta, die volgende week zou kunnen losbreken en dan zou leiden tot de derde devaluatie in korte tijd.