Proefdieren

Er stond een advertentie in de krant waarin werd opgeroepen te protesteren tegen het gebruik van proefdieren voor wetenschappelijk onderzoek en omdat er toevallig een pen naast me lag, vulde ik de bon zonder aarzelen in. Zo maakt een kleine daad een einde aan vruchteloos gepieker. Je kan lang nadenken over vivisectie, maar wat je er echt van vindt merk je, zoals bij de meeste belangrijke dingen, in één seconde, de tijd die nodig is om een handtekening te zetten.

Er komt veel post van dierenbeschermers in mijn bus. Een dame die zich verdienstelijk maakt door de opvang van zwerfkatten heeft kennelijk een legaat van een bewonderaar gekregen, want haar vroeger sobere blad is nu dik en glanzend, het is een soort literair tijdschrift geworden met werk van de eens beroemde Franse schrijver Georges Duhamel. En nu is er ook meer ruimte gekomen voor de onaangename trekjes die de dierenbeschermers om de een of andere reden vaak vertonen. Gezeur over de Gouden tijd, waarin de mensheid zich op advies van Pythagoras met vruchten voedde. Mopperpraat over buitenlanders die hier het paradijs vinden. Een voorman van de centrumdemocraten waarschuwt weer eens tegen het ritueel slachten.

Is de dierenbeschermer een fascist? Helemaal toevallig kan het niet zijn dat de centrumlui zo vaak in groene en diervriendelijke stichtingen onderduiken. Verlangen naar de reine oertijd, waarin de leeuw naast het lam leefde, de mens bessen plukte en God de Nederlander achter zijn dijken had gezet en de buitenlander in zijn Buitenland, verenigt fascist en dierenbeschermer.

Als ik zeg dat ik tegen vivisectie ben, wordt dat meestal niet geloofd. Ja, zeggen dan de weldenkenden, je bedoelt natuurlijk de cosmetica-industrie, het is inderdaad een schande dat daarvoor zoveel proefdieren gedood worden, daar zijn we ook tegen, maar tegen de wetenschap kan je toch niet zijn, niets voor jou, we geloven ook niet dat je 's avonds met marsmannetjes praat of astrologische kaarten samenstelt.

De tegenstanders van vivisectie maken het er ook vaak naar. Een tijdje geleden maakten vertegenwoordigers van een dierenbevrijdingsfront een rondgang door laboratoria van TNO. Er werden proefdieren getoond die geofferd werden voor het aids-onderzoek. Helemaal niet nodig, zei een dierenbevrijder, je kan aids ook bestrijden met vitamine C.

Dat was dom van die dierenvriend. De domheid van iemand die geen uitweg ziet uit een dilemma. Hij durfde niet te zeggen, en waarschijnlijk ook niet te denken, wat hij werkelijk voelde: dat proefdieren nooit gebruikt mogen worden, ook niet voor nuttig medisch onderzoek. Als hij dat zou zeggen, zou de andere partij de schouders ophalen en denken: ieder zijn mening, maar die van jou is irrelevant. Dan maar liever iets idioots bedenken, dat wortelsap ieder medisch onderzoek overbodig maakt of zoiets, om het dilemma te ontwijken. Wie durft echt staande te houden dat hij bereid is het leven van zieke mensen te offeren om de proefdieren te bevrijden? Het is niet alleen de woede van de buitenwereld die je er van afhoudt, ook de eigen tegenstem.

Ik sloeg het boek Animal Liberation van Peter Singer weer eens op, om te kijken hoe die het oplost. Het boek is de bijbel van veel militante dierenbevrijders en het maakte toen het in 1975 verscheen ook op mij grote indruk. We hoeven het niet zo scherp te stellen, zegt Singer. Om tactische redenen is het beter dat we ons voorlopig tegen onderzoeken met twijfelachtig nut richten, daar valt genoeg te doen. Inderdaad. Singer citeert een schatting van de Rutgers University van het aantal proefdieren die in 1971 in de laboratoria van de Verenigde Staten verwerkt werden: 63 miljoen. Vervolgens beschrijft hij een reeks van gruwelonderzoeken van het soort waarin het kookpunt van apehersenen tot op een tiende graad nauwkeurig wordt bepaald. Als we alle onzin wieden, denkt Singer, houden we minder dan een procent van de wetenschappelijke onderzoeken over, die waarlijk nuttig zijn voor de mens en zonder proefdieren niet mogelijk zouden zijn. En dan, wat moeten we daar dan mee doen? Singer is een filosoof en hij beseft dat hij niet kan volstaan met tactische oplossingen. Tenslotte moet ook hij kiezen, en zijn keuze is de consequentie van zijn opvatting dat het er om gaat de som van het leed te verminderen, of dat nu leed van mensen is, of van dieren. Singer zegt: we mogen alleen de dierproeven blijven doen, die we ook met geestelijk gehandicapte mensen zouden durven uitvoeren. De lezer schrikt. Daartoe zullen we toch nooit bereid zijn, denkt hij. Maar Singer is streng. Toch wel, in zeldzame gevallen. Zoals martelen in het algemeen verboden is, maar niet als bijvoorbeeld slechts door marteling de exacte locatie van een in New York verstopte atoombom gevonden kan worden, zo zal ook in uitzonderingsgevallen de gehandicapte mens als proefdier gebruikt moeten worden. Zo zie je waar zo'n wetenschappelijke afweging van lief en leed toe leiden kan. De consequentie die Singer trekt, kan hij waarschijnlijk ook alleen maar verdragen omdat de tijd dat hij werkelijk consequent zal moeten zijn in een ver verschiet ligt.

Ik weet dat rechtlijnigheid in deze zaken moeilijk is. Een tijd was ik vegetariër, totdat ik een keer mijn huisgenote trof bij een automatiek, waar we allebei naar toe waren geslopen om zonder dat de ander het merkte een vleeskroket te eten. Als ik over vivisectie denk, kan ik eigenlijk alleen oplosssingen bedenken die niet helemaal serieus zijn. De utilitaristische rekensom van Singer bevalt me niet. Ben ik dan bereid te leven met een medische technologie die geen vorderingen meer maakt en geen nieuwe geneesmiddelen kan testen? Jawel, maar dwingend opleggen is weer wat anders. Wat dan? Ik denk aan een ritualisering van de dierenmarteling. De beul, één keer per jaar door loting uit ons midden aangewezen, fluistert: “Vergeving, broeder aap”, doet, zijn hoofd onder een kap, zijn onmisbaar wetenschappelijk onderzoek en trekt zich daarna, beladen met onze zonden, voorgoed uit de menselijke samenleving terug.

Het is geen teken van kracht dat ik bij zulke fantasieën terecht kom als ik mijn gedachten ten einde denk. De bon van de bond tegen vivisectie ligt er nog. Ik heb hem nog even achtergehouden tot dit stukje klaar was. Gaat hij de deur uit? Vooruit, je kan niet blijven piekeren, daar gaat hij.