Loonmatiging blijft een armzalig recept

Vorige week hield de directeur van het CPB een krachtig pleidooi voor loonmatiging. Volgens E.J. Bomhoff moet Nederland zich echter concentreren op verbetering van zijn concurrentiepositie, hetgeen eerder pleit voor loonsverbetering.

De loonontwikkeling sinds 1990 is "desastreus' voor de economie. Met die woorden begon professor Zalm, directeur van het Centraal Planbureau vorige week de presentatie van het Centraal Economisch Plan. Krachtig drong hij aan op aanhoudende loonmatiging: "alle looneisen boven de nul zijn absoluut te hoog'. Een bekend verhaal, maar het krijgt extra gewicht wanneer de eerste economische adviseur van de regering het met zoveel nadruk verkondigt dat in het verslag van zijn persconferentie geen enkel ander onderwerp aan de orde kwam. Gemakkelijk kan zo het beeld ontstaan dat Nederland langzaam terrein verliest in de economische rangorde omdat wij nog steeds niet voldoende beseffen hoe belangrijk die loonmatiging wel is.

Internationale cijfers van de OESO tonen aan dat als loonmatiging het probate recept is voor economische groei, Nederland zo langzamerhand aan de top had mogen staan. Sinds 1979, het beginjaar van Zalms analyse, was de loonstijging in geen land ter wereld zo laag als in Nederland. Hoewel inderdaad onze lonen in het bedrijfsleven vorig jaar en in 1991 wat sneller stegen dan daarvoor, ligt Nederland over de periode 1979-'92 nog steeds onbetwist aan kop, op aanzienlijke afstand gevolgd door Japan en Duitsland waar de loonstijging gemiddeld eenderde hoger was. Zalm wil ons nu doen geloven dat deze eerste prijs voor aanhoudende loonmatiging nog niet voldoende is en hij beveelt meer van hetzelfde geneesmiddel aan om de economie te stimuleren.

Dan is het wel belangrijk goed te onderkennen dat een pleidooi voor loonmatiging uitsluitend betrekking kan hebben op de nominale loonstijging, dat wil zeggen het bedrag waarmee het gemiddelde loon van jaar tot jaar wordt verhoogd. Het effect van loonstijging op de economische kengetallen die écht belangrijk zijn, zoals concurrentiepositie en koopkracht, hangt af van trends in de inflatie en vooral van veranderingen in de wisselkoers. De afgelopen jaren waren zonder enige twijfel de vakbonden in Nederland veel matiger met looneisen dan die in Engeland of Italië. Toch heeft de concurrentiepositie van die landen zich sinds 1987 gunstiger ontwikkeld dan de onze. Volgens de cijfers van de OESO is onze internationale concurrentiepositie maar heel middelmatig. Hier in Europa komt dat natuurlijk door de devaluaties van de munten van Engeland, Italië en Scandinavische landen; wereldwijd ondervindt onze concurrentiepositie nadeel van de zwakke Amerikaanse dollar en de sterke D-mark. Het is niet meer dan logisch dat landen met een hoge nominale loonstijging zoals Engeland en Italië hun verlies aan concurrentiepositie weer inlopen zodra hun munten devalueren. De berekeningen van het Planbureau over de toekomstige zegeningen van loonmatiging houden nooit rekening met een devaluatie door onze buitenlandse concurrenten.

Meer loonmatiging en toch een middelmatige concurrentiepositie omdat andere landen hun munten zien devalueren. Is dan het recept nog meer loonmatiging zoals Zalm voorstelt? Natuurlijk is het zo dat wanneer degenen die zo welsprekend op de televisie pleiten voor loonmatiging, tien procent van hun eigen salaris terugstorten in 's Rijks kas, dit een bescheiden, maar welkome bijdrage zou zijn aan de vermindering van de collectieve lastendruk. En als beginnende gemeente-ambtenaren en leraren eerst twee jaar als volontair werken, zoals in de depressie van de jaren dertig, zou dat nog meer helpen. De relevante vraag is echter of onophoudelijk preken over loonmatiging wel zoveel effect sorteert.

Nog nooit heeft een berekening van het Planbureau kunnen aantonen dat de loonstijging in Nederland gemiddeld lager uitkomt naarmate er dreigender wordt gesproken over loonmatiging. Sterker nog, onderzoek van dr. N. van Hulst over "de effectiviteit van geleide loonpolitiek' toonde aan dat in jaren waarin de regering ingreep in de loonvorming, de feitelijke loonstijging daardoor op perverse wijze eigenlijk iets hoger uitkwam dan zonder een ingreep, omdat de politici met hun overwegend ambtelijke achtergrond geen idee hadden over de precieze positie van het bedrijfsleven en getallen noemden voor de gewenste loonstijging die in hun politieke visie bescheiden waren, maar toch hoger dan bereikt zou zijn in vrije onderhandelingen.

Niet lang geleden hield Zalm een veel intelligenter pleidooi voor een betere werking van de arbeidsmarkt. Toen drong hij erop aan dat minister De Vries zou stoppen met CAO's dwingend op te leggen aan bedrijfstakken wanneer die CAO's bijvoorbeeld pas beginnen ver boven het wettelijk minimumloon en het dus werkgevers verbieden om iemand aan te nemen tegen dat minimumloon. In 90 procent van de CAO's is dat het geval. Een extra reden heeft minister De Vries om te weigeren de CAO's in de bouw en de grafische industrie dwingend op te leggen aan de complete bedrijfstak, omdat die nog steeds een verbod bevatten op werk door uitzendkrachten en dus minderheden en zwakke groepen beletten om via uitzendwerk alvast nuttige ervaring op te doen op de arbeidsmarkt. De grafische CAO valt trouwens extra op omdat die het lidmaatschap van de vakbeweging verplicht stelt voor de werknemers en eist dat kandidaten voor de ondernemingsraad alleen mogen worden voorgedragen door de bestuurders van FNV en CNV. Sovjet-toestanden in Nederland die De Vries jaar in jaar uit in stand houdt.

Zo'n wettelijk gesanctioneerde machtspositie voor de vakbeweging leidt natuurlijk tot een kartel en dat betekent hogere lonen en hogere prijzen in die delen van de bouw en de grafische sector waar de produktie niet kan uitwijken naar het buitenland. Twee jaar geleden schreef Zalm terecht dat individuele werkgevers het recht moeten hebben om hun lidmaatschap van de werkgeversvereniging op te zeggen, zich daarmee te onttrekken aan algemeen verbindend verklaring, en waar nuttig en nodig andere arbeidsvoorwaarden met hun werknemers af te spreken. Afschaffen van de algemeen verbindend verklaring voor de primaire loonschaal had volgens hem een "neerwaarts effect op het loonpeil'. Dát is een logische manier om de Nederlandse arbeidsmarkt te verbeteren en de kansen van de talrijke "outsiders' te verbeteren. Maar VNO, FNV en CNV gunnen die vrijheid niet aan individuele bedrijven omdat dat hun machtspositie aantast en - in het geval van het VNO - leden en contributie gaat kosten. Nadat Zalm zich lange tijd krachtig keerde tegen dit corporatistische spel en welsprekend pleitte voor meer vrijheid op de arbeidsmarkt, lijkt hij jammer genoeg de laatste maanden voor een een politieke opstelling te hebben gekozen. Hij sloot zich aan bij een SER-advies over de overlegeconomie waarin niets dan goeds over de algemeen verbindend verklaring, en sprak vorige week over loonmatiging uitsluitend op de ouderwetse manier van een hooggeplaatst personage dat anderen oproept met minder genoegen te nemen, maar intussen wel de bestaande machtsverhoudingen van VNO, FNV en CNV intact laat met alle bekende, slechte gevolgen voor minderheden en laag opgeleiden op de arbeidsmarkt.

VNO, FNV en CNV willen liever geen nieuwe binnenlandse bedrijven die met lagere loonkosten verstorend inwerken op wat de SER altijd zo prachtig noemt de "goede en stabiele arbeidsverhoudingen', maar wat gewoon een eufemisme is voor een ordinair kartel. Dat is kortzichtig, want meer vrijheid en concurrentie betekent in eerste instantie inderdaad neerwaartse druk op de lonen, maar later een hogere dynamiek en een snellere economische groei. De econoom Zalm weet dat heel goed en heeft in zijn oratie en elders uitvoerig gepleit voor meer vrijheid en minder kartels. Helaas gaat hij soms even schuil achter de politicus Zalm die de goede vrede wil bewaren in de SER en maar weer eens het oude lied over loonmatiging zingt.

Na wat vorig jaar gebeurde met de wisselkoersen kan dat echt niet meer. Niemand zal nog vertrouwen op nominale loonmatiging als een middel om onze concurrentiepositie te verbeteren. Zeker, loonmatiging leidt tot een mooie, lage inflatie en een mooie, sterke wisselkoers, maar het effect op de concurrentiepositie wordt ongedaan gemaakt met één week van speculatie tegen lire en pond. Voor een sterkere concurrentiepositie van Nederland is een veel duurzamer en offensiever beleid noodzakelijk. Dan moet minister De Vries de bank-CAO afwijzen, zodat individuele banken kunnen experimenteren met openstelling 's avonds en in het weekend, wat nu feitelijk onmogelijk is. Dan moeten politiemensen meer salaris krijgen (het omgekeerde dus van loonmatiging) in ruil voor een grotere vrijheid voor de dienstleiding bij het maken van dienstroosters en meer politie op straat. Dan moeten in het onderwijs de beste leraren, zoals blijkt uit enquêtes onder ouders en kinderen, juist meer gaan verdienen. Dan moet minister Andriessen doorzetten met de liberalisatie van het vestigingsbeleid, zodat minderheden meer kans krijgen een eigen winkel of bedrijf te beginnen. Dan moet de vermogensbelasting verdwijnen, zodat de vlucht van welgestelden naar België opdroogt. Dan moet minister Ritzen eindelijk de circulaireschrijvers op zijn departement vragen naar ander werk om te zien. En zo heeft ieder een lijst van wensen die Nederland niet in de eerste plaats goedkoper en sjofeler maken.

Politiek is dat allemaal veel moeilijker dan de zoveelste klaagzang over loonmatiging. Maar als Nederland de concurrentiepositie verbetert door hogere kwaliteit en efficiency, zijn dat voordelen die geen wisselkoersspeculant ons ooit kan afnemen.