John McNaughton schokt met film over seriemoordenaar; "Horror tast alle waarden aan'

AMSTERDAM, 6 APRIL. Zeven jaar geleden voltooide John McNaughton zijn speelfilmdebuut Henry - Portrait of a Serial Killer. De Amerikaanse filmkeuring wees zijn onderkoelde verhaal over een massamoordenaar af met een tot dan aan harde porno voorbehouden klassificatie en het leek erop dat Henry nooit een bioscoopdoek zou bereiken. In 1989 bracht een besloten vertoning de film onder de aandacht van wat filmers en critici. Sindsdien is er geen houden aan: alom wordt McNaughtons film bewonderd door een vaak geschokt publiek.

Ter gelegenheid van het Amsterdamse Festival van de Fantastische Film (voorheen "The Weekend of Terror'), waar Henry - Portrait of a Serial Killer zijn Nederlandse voorpremière beleefde, was John McNaughton even in Nederland.

Henry - Portrait of a Serial Killer begint met een aantal stille blikken op gestorvenen: bijvoorbeeld het shot dat onderzoekend het naakte verwrongen lichaam van een jonge vrouw aftast tot en met de voeten die in een paar roze sokken steken; of de op het toilet vastgebonden vrouw, het ondergoed gescheurd, de rechterhelft van haar gezicht vertrokken, doordat er een limonadeflesje in is geplant. Niet een van deze ellendige beelden is spectaculair, ze zijn vooral in-triest. De enige beweging zit in de geluidsband. Gedempt, of we aan een deur luisteren, horen we, alweer zonder spoor van sensatiezucht, het akelige geluid dat opschalde toen deze mensen hun einde vonden. John McNaughton (Chicago, 1949), maker van Henry: “Het filmpubliek komt voor daden, en als het een horrorfilm bezoekt komt het voor afgrijselijke daden. Ik zadel het op met resultaten, zodat het meteen weet dat het niet krijgt waar het voor komt. Angst gewekt met veel namaakbloed en geweld, met special effects en make-up, weegt nooit op tegen wat de eigen fantasie te bieden heeft. Laat een mes een levensechte, maar rubberen hand doorboren en je wekt afgrijzen. Het kan ook zo onverdragelijk smerig zijn dat je er alleen nog om kunt lachen. Maar laat een mes alleen maar een hand naderen en elke aanwezige vult iets hoogstpersoonlijk afschrikwekkends in dat geen special effect kan evenaren.”

John McNaughton kijkt de laatste jaren liever naar films van Jacques Tati maar hij houdt nog altijd van het horror-genre. Zijn ogen zien rood van de vijftien films die hij tot een dag eerder bekeek op een horrorfilm-festival in België. Hij vindt zichzelf er te oud voor geworden: “Horror is de complete aantasting van alle waarden, net als indertijd rock 'n roll of nu de heavy metal-muziek. Je gaat erin op om te provoceren, uit weerzin tegen de oudere generatie en de hypocrisie van het establishment.”

Horrorfilms maken deel uit van een ritueel, daarom lijken ze op elkaar, vindt McNaughton. Het verhaal dat ze vertellen dient vooral als excuus om het publiek angst aan te jagen en ook de stijl die ze hanteren is daaraan ondergeschikt. Toen hij en zijn medescenarioschrijver van een obscure videomaatschappij geld kregen om voor de in de vroege jaren tachtig sterk groeiende videomarkt een horrorfilm te maken, besloten ze direct dat ze het genre zouden "herdefiniëren'. De slechten zouden zich niet onderscheiden van de goeien bijvoorbeeld en geweld noch moord- en doodslag-scènes zouden worden uitgebuit: juist door de special effects tot een minimum te beperken moest hun film des te angstaanjagender worden. Een televisiedocumentaire over de moordenaar Henry Lee Lucas, die een onvoorstelbaar aantal moorden bekende, verschafte hun een hoofdpersoon. Op basis van de getuigenissen en geschiedenis van deze onopvallende, "zachte, charmante' man met het sierlijke accent van de Zuidelijke Staten, schreven ze Henry. McNaughton: “We bekeken dat programma en realiseerden ons meteen dat Henry Lee Lucas het griezeligste was dat we ons konden voorstellen: moorden die zomaar op willekeurige passanten werden gepleegd door iemand die er onbijzonder uitziet en die van het moorden zijn levenswerk heeft gemaakt. Dat betekent dat iedereen gevaar loopt, en dat iedereen verdacht is. In die tijd werd het verschijnsel "seriemoordenaar' net onderkend. Op een enkele uitzondering na, schijnt het iets typisch Amerikaans te zijn. Maar jullie hebben voetbalhooligans, dat verschijnsel kennen wij weer nauwelijks.”

John McNaughton zorgde ervoor dat zijn Henry juist in zijn alledaagsheid eng werd. Op de vraag waarom hij al die moorden pleegt, geeft de film geen antwoord, want “niemand weet dat, bij seriemoordenaars”. En er is in deze film geen sheriff of rechercheur in zicht die hem zijn verdiende loon zal betalen. Dat gebrek aan verklaring, moraal en duidelijke afbakening van het kwaad, liet de Amerikaanse filmkeuring zo schrikken dat ze Henry keurden met een "X' - het oordeel dat zelfs vergaand wreedaardige horror- en zombiefilms nooit treft. Het wordt uitsluitend gegeven aan harde porno-films, maakt bioscoopeigenaren kopschuw en het adverteren in dagbladen, op televisie en radio vrijwel onmogelijk. Doordat een collega van de film afwist en hem, pas in 1989, vertoonde op een filmfestival, kreeg Henry langzaamaan een bekendheid die uitgroeide tot een cult-status.

McNaughton gaf zijn film bedrieglijk vorm als een reportage-achtige documentaire. Hij filmde zijn hogelijk naturel spelende acteurs op echte locaties en volgens de tradities van het realistische filmdrama. “Introvert en observerend, net als Henry,” omschrijft hij zijn stijl en vervolgt: “Meestal zijn filmmoordpartijen opgezet als entertainment en een van de moorden van Henry en zijn maat heb ik met opzet zo vorm gegeven: met schwung in de mise en scène, wat "lekker' geweld en een sterke grap tot besluit. Iedereen ligt dubbel. Dan zie je, door de lens van de videocamera die ze bij die gelegenheid hebben gestolen, hoe ze een gezin terroriseren en afslachten. Je hebt de illusie dat je naar Henry en zijn kompaan zit te kijken, maar vervolgens blijkt dat je met ze meekijkt naar die videotape, die ze, waarom?, thuis afspelen. Je bent geen toeschouwer meer, je zit bij ze op de bank. Heel ongemakkelijk.”

Het uiteindelijke, late, succes van McNaughtons film valt samen met een golf van serieuze geweldfilms die zich afwenden van het stripverhaal-sadisme van de doorsnee horrorfilm. McNaughton ziet een logische ontwikkeling: “In de jaren zestig en zeventig werden de grenzen van het fatsoen bestookt met films die op erotisch gebied zo ver mogelijk gingen, Nu seks niks bijzonders meer is ondergraaft de film diezelfde grenzen met geweld. Waarom? Omdat films de stand van zaken weerspiegelen. Voor mijn nieuwe film ben ik een tijd meegereden met de politie van New York, een stad waar de laatste zeven jaar maar twee dagen voorbijgingen zonder dat er iemand werd vermoord. Ik dacht dat ik ongeveer wist wat er op het gebied van moord te koop was, maar ik heb tot mijn vaak stomme ontzetting moeten constateren dat ik er geen idee van had wat mensen elkaar kunnen aandoen. Zo is onze wereld. Zo is onze soort.”