Ware liefde (7)

Ik liep door een zonovergoten Jordaan. Van een dameskapsalon stond de voordeur open. Met diepe, inhalige teugen snoof ik de geur op die naar buiten kwam. In het voorjaar kun je soms voor bepaalde geuren bijzonder gevoelig zijn.

Lisa. Ik wist het meteen. Ze werkte in een kapperszaak. Alles was vals aan haar, maar ik was op haar verliefd. Valse wimpers. Valse, lange, rode nagels. Daarbij verblindend mooi geblondeerd. Zeventien, net als ik. Door haar kunstmatige, opgedirkte uiterlijk leek ze veel ouder. Al zei ze bijna geen woord en heb ik haar nooit iets diepzinnigs horen zeggen, ik vond haar duizendmaal interessanter dan alle frisse paardestaart-trutten bij elkaar. Geen gehockey en gevolleybal. Lekker voor de spiegel met veel schmink en poeder in de weer. Wat rook dat kind bedwelmend en met volle overtuiging naar wat ze zelf lekker vond. Ze had iets verderfelijks over zich. Iets van een salonslet, of hoe noem je dat, in elk geval bezat ze dat waar ik op jeugdige leeftijd al druk naar op zoek was. Mijn vrienden waren bang voor haar. Eén meisje zei gemeen, dat ze ook valse borsten had. Lieve deugd, ook dat nog. 's Avonds in het Noorderplantsoen, veilig uit de buurt van een lantaarnpaal, zaten we voor het eerst lekker op een bank dicht bij elkaar. Ik voelde de aanplakwimpers in mijn gezicht en dat halfdood geverfde haar. Met de valse nagels streek ze over mijn wangen. Ik betastte haar borsten en tot mijn voldoening stelde ik vast dat dat jaloerse kreng niet gelogen had: alles wat lief is, is echt.

Toen wij nog kleine jongens waren, dachten we dat kinderen uit de borsten van de vrouw kwamen. Ik weet niet meer uit welke, de linker of de rechter of uit allebei, maar ze kwamen dáár vandaan. Afgelopen. Vandaag klinkt dat misschien middeleeuws maar voor ons was er geen twijfel mogelijk. Wat was het meest opvallende verschil tussen man en vrouw? Een vrouw had borsten. Een man niet. Borsten. Borsten. We zagen ze op school om ons heen groeien en bloeien. We keken naar de meisjes met hun vlechten en strikken, maar vooral naar hun truitjes waaronder ze aan het ontluiken waren en waardoor bijna alle jongens volgens een miljoenenoude natuurwet zo gefascineerd raakten.

Eenmaal in de week, 's avonds, als het in de winter al donker en geheimzinnig was op straat, ging ik met twee vriendjes naar de Nutsbibliotheek in de Uurwerkersgang. We leenden er elk twee boeken, dus in totaal zes die we allemaal uitlazen. We hadden niet alleen elkaars leeswoede gemeen, we deelden ook onze verliefdheid voor juffrouw Lili, de bibliotheekhulp. We kregen alle drie een rode kop als we aan de beurt waren en aan de balie tegenover haar stonden.

Oog in oog met haar donkerbruine ogen en zo dicht bij haar borsten die bij elke zucht onrustig in haar gehaakte, strakke blouse bewogen. Het viel ons op dat juffrouw Lili wekelijks aan gewicht toenam. Zodat die blouse bijna te krap werd en dat niet alleen, ook haar buik werd ronder en voller. Een mevrouw fluisterde haar vriendin toe: “'t Is toch een schande. Nog geen zestien en nu al zwanger. Niet eens een man. Dat wordt een voogdijkind. Dat houdt ze niet. Dat wordt haar vast en zeker afgenomen.” Na een korte, samenzweerderige gedachtenwisseling waren we het er over eens: juffrouw Lili kreeg een kind. Uit haar borsten uiteraard.

Op een avond zaten we in de bibliotheek weer op onze beurt te wachten. Toen gebeurde het. Juffrouw Lili, die zich al heel anders voortbewoog dan gewoonlijk, hield zich kreunend aan de balie vast. Ze wankelde. Zweet op haar lieve voorhoofd. Er werd vlug een stoel achter haar neergezet. Ze zeeg erop neer. Beide handen op haar dikke buik, alsof ze iets wilde beschermen, iets wilde tegenhouden. De oude bibliothecaresse riep: “O, Moeder Maria, help me toch.”

Stilte in de Nutsbibiotheek. Toen hoorden we een baby huilen. Juffrouw Lili kwam overeind en keek over haar buik naar haar eigen, eerste kindje: “Nooit krijgen ze je. Nooit geef ik je weg.”