Reparatie WAO is lappendeken

ROTTERDAM, 5 APRIL. “De slag om de WAO is definitief gewonnen”, juichte bestuurder C. van der Knaap van de vakcentrale CNV eind vorige week naar aanleiding van de nieuwe CAO voor 200.000 werknemers in de metaal- en elektrotechnische industrie. Heeft hij gelijk? Nee. Ten minste als we kijken naar het vertrekpunt van de vakbeweging.

Na het besluit van de Tweede Kamer eind januari de uitkeringen voor toekomstige WAO'ers te verlagen, besloot de vakbeweging zich in het CAO-overleg sterk te maken voor verplichte, collectieve WAO-reparatie. Deze reparatie moest bij voorkeur landelijk en desnoods op het niveau van de bedrijfstak of de bedrijven geschieden, maar in elk geval mèt een bijdrage van de werkgever. Alleen in de bouw en het streekvervoer is dit tot dusver gelukt.

Omgekeerd betekent dit nog niet dat de strategie van werkgevers een succes is. De overkoepelende werkgeversorganisaties VNO en NCW keerden zich van meet af aan faliekant tegen collectieve reparatie van het zogeheten WAO-gat. Zij riepen de werkgevers op bestaande WAO-aanvullingsregelingen op geen enkele wijze uit te breiden, ook niet als de werknemers daar zelf aan zouden bijdragen. Hooguit mocht de werkgever bemiddeling verlenen bij het tot standkomen van een verzekering, maar zijn betrokkenheid diende zo minimaal mogelijk te zijn. Ook hiervan is in de CAO-praktijk niet zo veel terechtgekomen.

In de inmiddels afgesloten akkoorden springen twee dingen in het oog. De prijscompensatie, die gold als ondergrens in de looneis van de vakbonden, wordt vrijwel nergens binnengehaald. En de "wig' tussen loonkosten en netto loon wordt groter, want de reparatie kost extra geld, terwijl de premie van de oude WAO vooralsnog niet daalt.

De uitkomsten van de "reparatiestrijd' vormen een lappendeken. Daarin vallen drie hoofdpatronen te onderscheiden: Reparatie via pensioenfondsen. Hierbij gaat het meestal om aanpassing van het bestaande invaliditeitspensioen, dat voorziet in een volledige aanvulling op de verlaagde WAO-uitkeringen. In de bouw en de aanpalende timmerindustrie, steenhouwerij en het schildersbedrijf is deze oplossing gekozen. De werknemers moeten eraan meedoen. Ook bij verschillende bedrijven met een ondernemingspensioenfonds (waaronder Heineken, DSM en de Nederlandse Spoorwegen) is deze optie gekozen. Bij VMF Stork is deelneming aan het invaliditeitspensioen tot 65 procent verplicht, terwijl bij de PTT deelneming vrijwillig is. Dikwijls is een deel van de benodigde geld gevonden door beperking van de (door de werkgever betaalde) bestaande bovenwettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid. Reparatie via verzekeraars zònder premiedifferentiatie. Hiervoor is onder andere gekozen bij bedrijven onder de paraplu van grote concerns zoals Ahold, Vendex en Unilever. De werknemers betalen de premie, maar zijn niet verplicht mee te doen. Als meer dan circa 60 procent van de werknemers meedoet, begint de "kwantumkorting' van verzekeraars interessant te worden. Ook hier gaat de reparatie vaak gepaard met beperking van de bestaande bovenwettelijke uitkeringen. Reparatie via verzekeraars mèt premiedifferentiatie. Hier kan de oplossing die de metaalindustrie koos model staan: een bedrijfstakverzekering met vrijwillige deelneming. Daarbij wordt jaarlijks een fictieve doorsnee-premie vastgesteld. De werknemers betalen de premie. Ligt het risico op arbeidsongeschiktheid in hun bedrijf onder het gemiddelde, dan zijn ze goedkoper uit. Ligt dat risico erboven dan geldt een navenant hogere premie, waaraan de werkgever meebetaalt. Bij de bank-CAO wordt hierover nog getwist.

De entree van commerciële verzekeraars op het marktsegment dat "vrijvalt' door de verlaging van de WAO-uitkeringen, luidt niet alleen een nieuwe fase in bij het afdekken van risico's op arbeidsongeschiktheid. Ook lijkt nu een jachtterrein geopend waarop zij kunnen experimenteren met hergroepering van risico's en bijpassende concurrerende premiestelling. Daarbij is niet uitgesloten dat de weg naar onderscheid tussen "risque social' (zeg maar: privé-domein) en "risque professionnel' (beroepsrisico's) alsnog wordt ingeslagen.

In het akkoord voor de metaalindustrie is deze deur expliciet op een kier gezet met de passage dat de werkgever “een andere voorziening” (dus ook een beperktere regeling) dan de bedrijfstakverzekering mag aanbieden. Aan de werknemers die dit alternatief onder de maat vinden, moet de werkgever wel de bedrijfstakregeling aanbieden.

In het economenblad ESB van vorige week schetst de Amsterdamse hoogleraar arbeidsverhoudingen en voormalig wetenschappelijk medewerker van de Industriebond FNV, drs. P.J. Vos, een ander perspectief. Hij voorziet verstoring van de arbeidsmarkt met “een ratjetoe van bedrijfsgewijze verzekeringen met een WAO-breuk”. De afloop is voorspelbaar, schrijft Vos: “Men komt er het eerste uit waar het allemaal wat overzichtelijk is. En dan volgen vroeger of later en na meer of minder heisa over premiedifferentiatie en premieverdeling de bedrijfstakken met kleine bedrijven en een scheve risicoverdeling. Deze gedecentraliseerde aanpak levert onvermijdelijk een verzekeringsbreuk op en de reparatie daarvan vormt het collectieve sluitstuk van het proces”. Pas dan zou Van der Knaap reden hebben victorie te kraaien.