Monumentenorganisaties vrezen toerisme oude steden

DEVENTER, 5 APRIL. “Het behoud van cultuurhistorisch erfgoed in historische steden en dorpen is om verschillende redenen economisch van belang.

Alleen al het cultuurhistorisch toerisme levert de Staat meer geld op dan er aan de instandhouding van monumenten wordt uitgegeven. Wil het cultureel erfgoed aantrekkelijk blijven voor het toerisme, dan moet het budget van de rijksoverheid voor restauratie en onderhoud substantieel worden verhoogd''. Met deze woorden opende J.C.J. Lammers, voorzitter van de Stichting Nationaal Contact Monumenten (NCM) eind vorige week in Deventer de jaarlijkse Nationale Monumentenstudiedag. De NCM is het overkoepelend lichaam van ruim 500 particuliere organisaties die in Nederland actief zijn op monumentengebied. Het thema was "Cultuurhistorisch toerisme: Kip met gouden eieren of paard van Troje'.

De burgemeester van Deventer signaleerde in zijn welkomstwoord de verontrustende bezuinigingen op monumentenzorg, de terugtredende rijksoverheid en de mogelijk dramatische gevolgen daarvan. Waarnemend directeur van de Rijksdienst Monumentenzorg U.F. Hylkema pleitte voor een landelijk cultuurhistorisch structuurplan, naar analogie van een ecologisch structuurplan. Er moet een kaart van Nederland ontwikkeld worden met daarop aangegeven de plekken die van cultuurhistorische waarde zijn. Daarop moet een toeristisch beleid worden gebaseerd. De milieu-econoom J. van der Straaten liet zien dat de opbrengsten van het cultuurtoerisme terechtkomen bij degenen die aan het in standhouden van monumenten niets bijdragen. De eigenaren van monumenten ontvangen relatief veel te weinig financiële steun. Hij achtte het op de weg van het ministerie van Economische Zaken liggen om deze scheefgroei te corrigeren.

De meest concrete bijdrage van de dag kwam van een buitenlandse gast, A.van den Abeele uit Brugge, die de praktijk van cultuurtoerisme van nabij kent. Hij schetste een even somber als plastisch beeld van de verschrikkingen die een oude stad ondergaat bij een excessief massatoerisme.

Meer dan ooit wordt, volgens Van den Abeele het bouwkundig erfgoed, kwetsbaar en onbeschermd, opgeofferd aan een nietsontziende, chaotische en ongeordende ontwikkeling. Een van de functies van een historische stad is de toeristische en deze ontwikkelt zich op een dermate verontrustende wijze dat hij een bedreiging gaat vormen voor het leven in en het overleven van de historische stad. De toeristische industrie, aldus Van de Abeele, heeft zijn eigen logica en wetmatigheden, die in de eerste plaats zijn gericht op rentabiliteit, winst, groei en expansie. Wanneer men het toeristisch mechanisme zijn gang laat gaan dan verslindt het uiteindelijk de objecten waar de toeristensector zijn bestaan aan dankt. Met Brugge als concreet voorbeeld werden enkele gevaren geschetst.

Ten eerste de wildgroei van hotels die zich in hun omvang niets aantrekken van de schaal van de omgeving. Dan is er de verstopping van de oude binnensteden door auto's en vooral autobussen, de eenzijdige ontwikkeling van de middenstand, gericht op de toeristische consumptiebhoefte, dat wil zeggen op eten, drinken en het kopen van souvenirs. Deze ontwikkelingen maken het wonen onaantrekkelijk. De grond wordt duurder, de toegankelijkheid neemt af en van een gedifferentieerd winkelbestand is geen sprake meer. Een historische stad kan hierdoor in een vicieuze cirkel terecht komen. Hoe meer bewoners wegtrekken, hoe meer plaats er komt voor alweer een terras, een café of een eettent. Niet alleen Brugge lijdt hieronder, ook andere Europese steden worden met het massatoerisme geconfronteerd. Venetië zal mogelijk een numerus clausus voor toeristen instellen. Parijs wil voortaan maximaal 1200 autobussen per dag toelaten. Versailles met drieëneenhalf miljoen bezoekers per jaar dreigt te desintegreren. Van den Abeele acht het een plicht van de bewoners van de historische steden om uiterst alert te zijn en tijdig maatregelen af te dwingen, al is het in vele gevallen al te laat.

Tot op de dag van vandaag is deze zogeheten Kostolijst niet af. Ondanks de hartstochtelijke manier waarop de gemeente nog steeds vasthoudt aan het idee dat het mogelijk is een eerlijke lijst samen te stellen, blijkt in de praktijk steeds duidelijker dat de Kostolijst een illusie is. Mensen die er niet op horen staan er wel op en mensen die overduidelijk slachtoffer zijn, vallen buiten de boot. Dit is niet alleen de mening van de advocaten van de slachtoffers, maar van elke organisatie en hulpverlener die bij de opvang van deze illegalen is betrokken.