Koopmans Matthäus: teder, intens en intiem

Concert: Matthäus Passion van J.S. Bach door Kon. Concertgebouworkest, Nederlands Kamerkoor, Amsterdam Baroque Choir en Jongenskoor St. Bavo en div solisten o.l.v. Ton Koopman. Gehoord: 4/4, Concertgebouw in Amsterdam.

In iedere uitvoering van de Matthäus Passion zit één absoluut hoogtepunt - een uitroep van het koor, een klacht van Christus, een dramatische zinswending van de Evangelist of een aria waarin alle emoties van het passieverhaal bij elkaar lijken te komen. Bij de Palmzondag-uitvoering van het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Ton Koopman was dat ongetwijfeld de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben, gezongen door sopraan Barbara Bonney. Alle tederheid die in de interpretatie van Ton Koopman zo belangrijk was, lag in de bijna letterlijk adembenemende schoonheid waarmee Barbara Bonney deze woorden zong en in de intensiteit waarmee Jacques Zoon (fluit) en Werner Herbers en Jan Kouwenhoven (oboe da caccia) haar begeleidden.

Dit was, zo leek het, precies wat Ton Koopman bedoelde. Na zoveel intens verdriet klonk de schreeuw van het koor "Lass ihn kreuzigen!' des te schrijnender, waardoor de dramatiek van dat moment volledig tot zijn recht kwam.

Barbara Bonney en Olaf Bär, die de rol van Christus zong, waren van de zangsolisten degenen die het best pasten in de intimiteit waarnaar Koopman op zoek leek. Bär zong de Christus-partij minder zwaarwichtig dan de introverte, statige Robert Holl in voorgaande jaren. Bär durfde veel emotie in zijn stem te leggen. De opzettelijke lelijkheid waarmee hij "das Fleisch ist schwach' zong, gaven aan zijn woorden een angstaanjagende overtuigingskracht. En uit zijn mond klonken ook "verraten' en "betrübt' heel levensecht.

Twee jaar geleden mocht dirigent Ton Koopman op het allerlaatste moment de oververmoeide Nikolaus Harnoncourt vervangen, die toen zijn laatste Matthäus met het Concertgebouworkest zou doen. De uitvoering werd door iedereen bejubeld en Koopman werd gevraagd dit jaar terug te keren en ook in de toekomst de traditie voort te zetten, al zal hij niet de alleenheerschappij krijgen die Harnoncourt vijftien jaar heeft gehad.

Net als twee jaar geleden was de interpretatie van Ton Koopman rustig en zeer ontroerend. Hij leidde het zorgvuldig spelende orkest met overgave en gaf de instrumentale solisten alle vrijheid voor verrassende versieringen (ondermeer van hoboïst Werner Herbers in de aria Ich will bei meinem Jesu wachen, en Jaap van Zweden in Erbarme dich). Veel nadruk legde Koopman op een uitgebalanceerde, warme koorklank (door zijn eigen Amsterdam Baroque Choir en het Nederlands Kamerkoor).

Evangelist Hans Peter Blochwitz miste af en toe de juiste verteltrant. Hij zocht te veel naar klankschoonheid (hij heeft inderdaad een mooie stem, die alleen bij de hoge tonen soms wat geknepen klinkt) en wekte bij langere passages soms de indruk de tekst af te raffelen. Wat dat betreft zou Guy de Mey een betere keuze zijn geweest. Op de cd van Koopmans Matthäus (met zijn eigen barok-orkest) ontpopt De Mey zich als een dramatische verteller, in het Concertgebouw mocht hij zich ontfermen over de tenor-aria's, die nu nog onrustiger klonken dan ze toch al door Bach zijn geschreven.

Wie de cd hoort, zal het bijna jammer vinden dat Koopman nu voor het orkest stond, en niet achter het orgel zat om het continuo te spelen. Bernard Bartelink is een degelijke organist, maar hij hield zich, op een enkele uitzondering na, keurig aan de noten. Koopman permitteert zich achter het orgel grotere vrijheden, hij vertaalt de woorden van de evangelist in kleine muzikale bewegingen.

Aardig was het gebruik van het gerestaureerde Maarschalkerweerdorgel tijdens het openingskoor en het slotkoor van het eerste deel. Bach schrijft het penetrante en indringende geluid van het sexquialter orgelregister voor en dat zit niet op een kistorgeltje. Even gingen de negentiende eeuw en de oude muziek hand in hand.