In Sarajevo gaat partijdigheid boven vredeswil

De oorlog in Bosnië-Herzegovina begon een jaar geleden met een vreemd incident in Sarajevo, op 5 april 1992. Naar schatting vijftigduizend inwoners van de stad demonstreerden voor het parlementsgebouw tegen de oorlog, die velen toen al voor mogelijk hielden. Een maand eerder hadden dergelijke demonstraties nog succes: Servische barricades in de stad waren weggehaald, en de oorlogspartijen (de Servische SDS, de moslimpartij SDA en de Kroatische HDZ) hadden zich alsnog bereid verklaard tot onderhandelen over de verdeling van de macht in Bosnië-Herzegovina, dat zich - zonder instemming van de Serviërs - van het oude Joegoslavië onafhankelijk had verklaard.

Tot onderhandelingen was het in die maand respijt echter niet daadwerkelijk gekomen, wel tot een verdere uitkristallisering van de partijen. Binnen de Kroatische HDZ van Bosnië-Herzegovina, die zich eerder aan de zijde van de SDA schaarde in het streven naar onafhankelijkheid én het behoud van een zoniet gecentraliseerde, dan toch daadwerkelijk bestaande staat Bosnië-Herzegovina, kwam het tot een geslaagde machtsgreep van degenen die aansluiting van de "Kroatische gebieden' binnen Bosnië-Herzegovina bij de republiek Kroatië voorstonden.

Deze triomferende factie in de HDZ voerde al in maart in het Oostenrijkse Graz geheime onderhandelingen met de Servische SDS over een onderlinge opdeling van Bosnië-Herzegovina. Ofschoon deze onderhandelingen niet geheel succesvol waren - de partijen gingen uit elkaar in de wetenschap dat zij op een aantal punten ook met elkaar oorlog zouden moeten voeren - waren ze het over één ding toch eens: de territoriale ruimte voor staatsvorming door de SDA, de moslims in feite, moest tot een uiterste minimum beperkt blijven. Servische en Kroatische politici in Bosnië-Herzegovina zagen en zien zichzelf als de grote historische actores in het gebied, en de moslims - ofschoon talrijker dan zowel Serviërs als Kroaten - als onwelkome nieuwelingen op het toneel der politieke geschiedenis.

De demonstranten van Sarajevo op 5 april 1992 op hun beurt, zagen zichzelf niet als moslims, Kroaten of Serviërs, slechts als inwoners van Sarajevo of eventueel Bosniërs. Zij wensten alleen niet dat de politici hun stad, en hun land tot een strijdtoneel voor hun conflicterende ambities zouden maken en waren juist daarom bij alle toekomstige oorlogspartijen, een handje fatsoenlijke politici daargelaten, buitengewoon impopulair. En op die vijfde april kwam het tot een reeks incidenten, waarvan niemand weet of ze georganiseerd waren, of een spontaan karakter droegen. In ieder geval waren zij het sein dat de oorlog was begonnen.

Uit het hotel Holiday Inn, tegenover het parlementsgebouw, klonken schoten. In het hotel had de Servische politicus Radovan Karadzc, toentertijd zijn hoofdkwartier gevestigd, omringd door gewapende lijfwachten die ook bij de eerste crisis in maart al uit de ramen hadden geschoten. Nu maakten zich uit de menigte vreedzame demonstranten plotseling mensen los, die zwaar gewapend bleken en het hotel Holiday Inn bestormden om het op Karadzc en de zijnen "te veroveren'. Dat was het sein tot een algemene schietpartij in de straten van Sarajevo, waarbij de schoten geenszins alleen van Servische zijde kwamen. Na de SDS en de HDZ, die zich organisatorisch en militair terdege op de oorlog hadden voorbereid, bleek ook de SDA, die in maart niet veel meer machtsmiddelen ter beschikking had dan de gemeentepolitie, zich naar vermogen te hebben voorbereid op de militarisering van de machtsstrijd. Op wapens en andere steun van een machtiger buurman kon de moslim-partij, anders dan de Servische of Kroatische, niet rekenen. Maar de ruim ontwikkelde onderwereld van Sarajevo bood uitkomst, alsmede enkele honderden huurlingen, merendeels speciaal voor de oorlog naar Sarajevo afgereisde moslims uit de Servische streek Sandzak.

De demonstrerende menigte op 5 april stoof uiteen, om in die vorm niet meer terug te keren. Burgerzin of vredeswil zijn sindsdien in Sarajevo en de rest van Bosnië-Herzegovina niet meer toegestaan, partijdigheid des te meer. En de bevolking, wier nationale identiteit immers de voornaamste inzet vormt van de strijd tussen de politici, heeft het recht op lijden: omdat zij tot de "verkeerde' groep behoren en dus worden verdreven. Of omdat zij tot de "juiste' groep behoren en daarom door een "verliezende' partij als gijzelaars worden gebruikt - een middel ook om met een beroep op menselijk lijden onderhandelingen zoveel mogelijk te vermijden.

Dat lijkt de voornaamste les van een jaar oorlog in Sarajevo en Bosnië-Herzegovina, en eigenlijk van alle oorlogen: dat er politici zijn bij alle partijen, die zich uitgeven voor volksvrienden maar in werkelijkheid die bevolking rondschuiven, afslachten of laten afslachten als pionnen in hun onderlinge machtsstrijd.

De drie oorlogspartijen hebben gemeen, dat zij met wantrouwen, en meestal met onverholen minachting kijken naar de pogingen uit het buitenland, de humanitaire schade van de oorlog te beperken of tussen de oorlogspartijen onderhandelingen tot stand te brengen - als zij hun onvrede al niet omzetten in wapengeweld tegenover buitenlandse hulpverleners en VN-militairen. Het probleem van de buitenlanders in Bosnië-Herzegovina is alleszins vergelijkbaar met die vijftigduizend demonstranten: zij streven naar fatsoen en menselijkheid en ontmoeten daarbij van de lokale politici en hun gewapende volgelingen alleen maar vijandigheid. Een buitenlandse militaire interventie in Bosnië-Herzegovina kan bij de oorlogspartijen eigenlijk alleen maar op vijanden rekenen - een van de redenen waarom onder buitenlandse militairen voor zo'n interventie het enthousiasme ontbreekt.

Wat overblijft is een gevoel van echec bij iedereen die zich met die oorlog wel eens direct of zijdelings heeft beziggehouden: dat het niet mogelijk is gebleken ook maar enigszins tegemoet te komen aan het recht van de bevolking op een menswaardig bestaan, dat die bevolking onophoudelijk het slachtoffer wordt van geweld, en dat pogingen tot hulpverlening of bemiddeling door de oorlogspartijen slechts op hun propagandistische waarde worden beschouwd.

Wat ook, als deze oorlog een keer ophoudt, ook de uitslag moge zijn, het Sarajevo zoals we dat tot 5 april kenden, net als de rest van Bosnië (of zelfs het voormalige Joegoslavië), die interessante en aantrekkelijke mengeling van verschillende culturen, lijkt voor eeuwig verloren - geofferd op het hakblok van derderangs-politici.