Hardloper is een junk op sportschoenen

Tussen de geuren van spierverwarmende oliën is het zaterdag moeilijk de juiste startplaats van de negentiende City-Pier-City (CPC) te vinden.

Het Malieveld is een enorme mensenzee met duizenden hardlopers die in vakken zijn ingedeeld. “Wilt U hier onmiddellijk weg gaan”, zegt een medewerker van de organisatie me zodra ik rondwandel in een vak waar mannen en vrouwen met de lage startnummers warm lopen. Het blijkt het vak met de wedstrijdlopers te zijn. Mijn nummer 4136 wekt verbazing en afwijzing. “U hoort thuis bij de recreanten, helemaal achterin”. Het is inderdaad achteraan, enkele honderden meters achter de startlijn verdringen zich recreanten achter dranghekken. Van het startschot hoor ik niet meer dan een doffe plof, het duurt minuten voordat de hele stoet op gang komt.

De CPC, de halve marathon die jaarlijks vanaf de residentie via Wassenaar naar Scheveningen en weer terug naar de City loopt, heeft zijn eigen allure. Staan bij de marathons van Amsterdam of Rotterdam straten en stoepen volgepakt met toeschouwers, in Den Haag is het enthousiasme wat ingetogener en zorgen de muziekkapellen pas in de laatste kilometers voor aansporing. Dit jaar loopt het traject door Wassenaar, maar voor sommige lopers beginnen daar de eerste krampen. De recreanten die zich uit overmoed hebben opgegeven, voelen in hun benen waar ze aan zijn begonnen. Aangespoord door een enkele villabewoner of ruiter die roept "vooruit kêrel doorgaan' proberen de eerste afvallers de resterende 12 kilometer lopende te overbruggen. Voor de slecht getrainden ligt in Wassenaar het Waterloo en hun rest niet meer dan een lange martelgang of de bezemwagen.

Mijn lange mars naar de voorste gelederen probeer ik ook in Wassenaar door te zetten. Via fietspaden of zijwegen is er wat ruimte de lopers in te halen die een tijdelijk "tandje lager' aanhouden. Bij de honderden lopers die ik passeer, beweegt iedereen zich voort op zijn eigen manier: de een elegant, de ander zwoegend of houterig en sommigen hebben de motoriek van een mobiele meelzak. Maar iedereen komt vooruit en velen nemen deel aan het groepsproces dat zo'n joggende stoet kenmerkt. Het begint met grapjes maar in de loop van de koers komen de luide boeren of de onverhoede sanitaire stops aan de kant van de weg. En in het laatste deel is er slechts stilzwijgen en een monotoon rytmisch ademhalen van een mensenkudde die hunkert naar de finish.

De sleutel van het succes zit in de voorbereiding. De koers is niet meer dan een natuurlijke selectie tussen getrainden en ongetrainden, tussen de mensen die lopen uit verslaving en deelnemers die zich voor een keer willen bewijzen. Regelmatig lopen, conditie opbouwen en eetgewoonten aanpassen behoren tot het menu van de gemiddelde hardloper, ook al zijn de vele trainingskilometers soms een eenzame bezigheid. Niet écht eenzaam, want hardlopen heeft ook een diep psychologische dimensie. Het is uiteindelijk de confrontatie van de loper met zichzelf: wie het hardlopen erbij laat zitten krijgt met een schuldgevoel te maken. Excuses om eens een keer niet te lopen zijn talrijk, maar het uitstel knaagt en leidt uiteindelijk tot fysieke kwalen: lopen is een verslaving en de hardloper eigenlijk een junk op sportschoenen.

De tocht naar voren begint aardig op te schieten, onder andere door steevast de drinkgelegenheid onderweg over te slaan. Om de vijf kilometer staan er de tentjes met energiegevende drankjes. De lopers staan als vee om de trog om ook een kartonnetje zoetwater te krijgen. Met een grote boog loop ik er omheen want vorig jaar bij de halve marathon van Amsterdam nam ik na vijf kilometer zo'n blikje om vervolgens hevige maagkramp te krijgen. Het was niet meer te houden en uit diepe ellende belde ik bij een huis aan: “Mevrouw, mag ik bij U naar de wc”, vroeg ik bij een willkeurige deur. Het mocht. Na gedane zaken rende ik de wc af, voorbij aan de mevrouw die klaarstond met een glas water, om weer achter de stoet aan te hollen. Bij elk tentje verdring ik nu mijn dorst met het idee dat de Ethiopische hardloper Abe Bekila in de marathon op de Olympische Spelen van 1968 in Mexico helemaal niets dronk en zelfs na de finish nog een stukje doorliep.

Na vijftien kilometer stokt de opmars. Bij het Kurhaus en de Boulevard, waar de eerste patatluchten uit de strandtenten komen, ging het nog maar de lange terugtocht naar de city is een heel stuk. Bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat komen er zelfs "stemmetjes' die aanraden om maar gewoon een stuk te wandelen. De verleiding wordt groot: rust, slechts even rust, een minuut of enkele seconden! Toch bijt ik de laatste kilometers door, veilig in de meute die hijgend op de finishlijn afgaat. Maar daar is het weer dringen, zoals bij de start. De lopers moeten, alsof ze in de supermarkt staan, minutenlang in de rij wachten voordat een CPC-medewerker het startnummer in de computer tikt om zo de tijd vast te stellen. De gewonnen minuten gaan zo weer verloren. Maar de tijd heeft zijn belang al verloren: de loper heeft voldaan aan zijn psychische loopbehoefte en kan terug naar huis, vrij van schuld.

Jennings denkt het niet. “Het GIE-concept mag dan afkomstig zijn van coöperatieve wijnboeren, het heeft zich bij ons ontwikkeld tot een geavanceerd systeem van multinationale samenwerking. Als je de stroom van kant en klare subcomponenten hier in Toulouse ziet arriveren, besef je hoezeer bij ons de verantwoordelijkheden naar de laagste niveaus zijn gedelegeerd. Wat wonderwel past in de moderne managementopvattingen over het nut van de platte organisatie. Het Airbus-systeem stimuleert de concurrentie tussen partners die elk verantwoordelijk zijn voor de tijdige aanvoer van perfecte onderdelen. Zo niet, dan stagneert de hele operatie, terwijl de schuldige duidelijk valt aan te wijzen. Daarin ligt onze kracht.”