Eliott Carter: bokkige, stuurse en ongrijpbare Beethoven dezer eeuw

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Matthias Bamert m.m.v. Ursula Oppens, piano. Werken van Elliott Carter. Gehoord: 4/4 De Doelen Rotterdam. Uitzending: NOS Radio 4, 11/4.

Strawinsky had geen hoge dunk van de componisten uit zijn gastland: “American music will soon need a Ford Foundation for the Suppression of Unpromising Composers.” Maar voor Elliott Carter - het weekeinde "Composer in Residence' bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest - wenste hij een uitzondering te maken. Wel ontdekte Strawinsky in het zeer geprezen Double Concerto menige referentie aan Alban Berg en herinnerde hij wat Carters handelsmerk van het strikt gecontroleerde accellerando en ritardando betreft aan Bergs vergelijkbare monoritmica-techniek uit Lulu - er is nu eenmaal niets nieuws onder de zon.

Ook de visionaire Symphony of three orchestras (1976), waarmee zaterdagavond het Carter-concert in De Doelen overrompelend werd geopend, heeft van die theatrale gestieken die herinneren aan het Weense expressionisme. Maar het idee van de dieptewerking in een drietal gelaagdheden herinnert veel meer aan de Charles Ives van The unanswered Question: prachtig zoals een dolende trompet zijn weg zoekt tegen een hoge mystieke strijkerswand, verrassend dramatische interrupties, de Wozzeck-flarden, het ruwweg afkappen van een vioolsolo. Want voorspelbaar is het nooit en ongrijpbaar des te meer, waar Carter maar niet kan kiezen tussen een speels gedetailleerd contrapuntisch musiceren en een overweldigende, meer blokmatig gedachte dramatiek.

Een nog groter zwak koester ik voor het nukkige en grillige Pianoconcert uit 1964, dat je nog wel eens hoort uitvoeren, zoals in 1970 door Jacob Lateiner, voor wie het werd geschreven, met het Concertgebouworkest onder Erich Leinsdorf. Ook hier weer een drietal gelaagdheden: de piano: “free, fanciful and sensitive”, begeleid door een meedogenloos orkest dat geleidelijk dichtslibt in ongenaakbare clusterwanden en omringd door een concertino van zeven instrumenten als een “well-meaning but impotent intermediary.” De componist valt in zijn commentaren een zekere journalistieke flair niet te ontzeggen, hij vergeleek dit septet ook eens met “de vrienden van Job, die hem advies geven.”

Tegen het slot krijgt de pianopartij binnen een stroom van complexe klanken een éénstemmig melodisch verloop mee, genoteerd in uitzonderlijk grote notenkoppen, in alweer die dieptewerking van voor- en achtergrond. Carter zoekt binnen complexe gelaagdheden wel degelijk naar een expressieve kwaliteit: rechtstreeks via een omweg, als het ware met veel woorden verduidelijkend dat het allemaal maar eenvoudig is.

Die bokkig stuurse kwaliteit als een 20-ste eeuwse Beethoven ontbreekt vrijwel geheel in de Variations for orchestra (1954-1955): schitterend vakwerk maar met veel fraaidoenerij, in dankbare solotrekjes, waarmee het orkest zich aan het eind even kon uitleven. Die ongenaakbare composities ervóór werden overigens ook al goeddeels ideaal gerealiseerd, en de dramatische kracht van Ursula Oppens' pianospel overtrof zelfs die van haar recente cd.

De aanwezige componist toonde zich content en zo kwam na een doeltreffende bundeling van talrijke musici en instanties in Rotterdam een einde aan een imposant Carter-festival.