Alleen de standvastigen zijn in staat haar te bezweren

MEERBEKE, 5 APRIL. Het gebeurde in de aprilmaand van het jaar 1993, als de wilde kastanjelaren in bloei stonden, dat Johan Museeuw de Ronde van Vlaanderen won. Al zo vaak was hij favoriet geweest voor grote zeges. En nooit had hij die weelde kunnen dragen. "Vedette zonder glans', "eeuwige belofte' was hij al genoemd.

Maar ziet hoe hij boven zich uitsteeg op die eerste zondag van de maand april. Hoe hij zich verhief boven het keurkorps van de kasseien. Hoe hij uiteindelijk ook zijn laatste rivaal, Frans Maassen, die hem was gevolgd als een sluipmoordenaar, met overmacht achter zich liet.

Het was zo'n dag dat het weer nog twijfelt tussen winter en lente. Vóór de start in Sint Niklaas hadden de renners nog in auto's zitten kleumen. En toen ze er eindelijk uit kwamen, droegen ze doorzichtige korte regenjassen, die ze pas op het laatste moment uittrokken. Toeschouwers achter hekken morden, dat er vroeger nog kerels in de Ronde reden, die geen angst voor vocht en koude kenden. Maar zelf gingen ze ook schuil onder een woud van paraplu's. Boven hen kleurde de lucht zich in zijn grauwste tinten grijs.

Maar naarmate de renners de krachten uit de kuiten voelden vloeien, trok het wolkendek open. Als ze dan het vlakke Vlaanderenland achter zich hadden gelaten en de Vlaamse Ardennen binnen togen, gaf het zonlicht de glooiende heuvels zelfs een lieflijk aanzicht. Hoe verraderlijk.

De Ronde is toch geen pleziertocht voor dromers en dwepers. De Ronde is een uitputtingsslag voor slopers en slachters. De tijden mogen veranderd zijn sinds tachtig jaar geleden de eerste Ronde van Vlaanderen werd verreden. Kasseienwegen moesten onder monumentenzorg worden geplaatst om ze voor nieuwe generaties renners te behouden. En de werkmens, zoals door Stijn Streuvels en Louis Paul Boon beschreven, die hier op het schrale land zijn karig brood verdiende, is al lang tot welstand gekomen. Vlak naast zijn auto staat hij nu met een pintje langs de kant.

Maar de Ronde van Vlaanderen blijft de klassieker van de ploeteraars. Al schamperen de toerrijders die in afwachting van het peloton ook even een hellinkje pakken, dat dit toch geen beklimmingen zijn, deze molshopen, deze oneffenheden in het akkerland. Zij hebben makkelijk praten. Zij hebben geen 121 kilometer in de benen als ze hun eerste heuvel nemen. Keken ze in het koersboek, ze zouden zien hoe vanaf die eerste Tiegemberg de route zich kronkelt als een darm in de buik van Oost-Vlaanderen. Over nog eens vijftien heuvels. Nog eens vijftien keer een aanslag op reserves. Dat vreet en knaagt en mat af.

Daarom vinden Vlamingen haar de mooiste van alle klassiekers: de Ronde is geen wedstrijd voor luie sprinters of elegante klimmers. Ruig en hard, soms wreed, is de Ronde. Alleen de standvastigen, de allersterkste karakters, zijn in staat haar te bezweren. Renners als de knotwilgen langs de kant, die ook de tegenspoed trotseren. De Ronde als symbool van Vlaamse wilskracht en onverzettelijkheid.

Het was dan ook een smet op de Ronde dat vorig jaar zo'n verwekelijkte Fransman had gewonnen: Jacky Durand, de onbekende, de onwaardige. Dat gebeurde omdat het peloton een vroegtijdige ontsnapping schandelijk had verontachtzaamd. Nooit weer mocht dat voorkomen, had de organisatie vast besloten. Nog grilliger, nog zwaarder, werd dit jaar de route gemaakt.

Ook de samengestroomde liefhebbers op de Oude Kwaremont spraken nog schande van die wanvertoning vorig jaar. Maar dan groeven ze dieper in hun geheugen en verhaalden elkaar van glorieuze overwinnaars, van de beslissende ontsnappingen waarvan zij met eigen ogen getuige waren geweest. Als ze zich zo in stemming hadden gebracht, zelfs de kleinste kinderen hadden gemaand vooral goed toe te kijken, opdat ze nooit zouden vergeten, onderwierpen ze zich gulzig aan die siddering van opwinding die door de massa ging. Een siddering die werd veroorzaakt door naderende sirenes, wanhopig claxonerende volgauto's, ronkende helicopters. Routiniers onder de fans hielden natuurlijk een reservewiel in de aanslag. Als hun favoriet een bandbreuk kreeg, waren zij voor eeuwig de held.

Maar op deze zondag in april was alleen Johan Museeuw de held. Eerst kende de Ronde nog acht potentiële helden. Onder wie alle grote favorieten zoals Van Hooydonck en Fondriest. Maar juist in de Tenbossestraat in Nederbrakel, daar waar Van Hooydonck twee jaar geleden zijn eerste, beslissende demarrage plaatste voordat hij voor de tweede keer de Ronde won, verloor hij nu de wedstrijd. Museeuw ontsnapte en alleen Frans Maassen kon nog volgen in zijn wiel.

Dat was op 28 kilometer van de aankomst. Dus alles leek nog mogelijk. De Berendries moest nog komen en de gevreesde Muur van Geraardsbergen, de Bosberg ook. Twee tegen zes, het leek een ongelijke strijd. Maar zo simpel lag het niet. Want die twee die werkten niet als tandem. Frans Maassen kreeg al snel de opdracht van zijn ploegleider Jan Raas om toch vooral de kop te mijden. Tenslotte was Museeuw de snelste sprinter van het tweetal. En in de achtervolgende groep loerde Van Hooydonck, de ploeggenoot van Frans Maassen, nog altijd op zijn kans.

Maar ook het zestal kon geen eenheid vormen. Franco Ballerini, de ploeggenoot van Museeuw, had er alleen maar baat bij dat zijn kopman weg zou blijven. Ook de anderen hadden onvoldoende wil of kracht voor een monsterverbond.

Zo ontstond de situatie dat geen van de leidende groepjes voluit kon rijden. Als een harmonica schoven ze naar elkaar toe en van elkaar af, maar het tweetal bleef weg. Bij de aankomst was Maassen machteloos.

De verliezer kon de eerste minuten na de finish alleen maar krachttermen over zijn lippen krijgen, zo teleurgesteld was hij. Na een serie tweede plaatsen, had hij zo hevig naar een grote zege verlangd. Later, veel later, toen zijn troebele ogen weer helderblauw waren gekleurd, bleek hij toch nog strijdbaar. Hij wenste niet vergeleken te worden met Zoetemelk, de eeuwige tweede. “Jullie praten mij geen complexen aan.”

In een schoollokaal, dat diende voor dopingcontrole én als persruimte, werd de 27-jarige Museeuw niet moe om te verklaren dat de zege hem juist van een complex heeft bevrijd. Het leek wel of hij nooit op de juiste momenten kon toeslaan. Hij is weliswaar kampioen van België, maar dat is een nationale wedstrijd met nationale deelnemers. Internationaal had hij al ritzeges in de Tour de France en een overwinning in de Grote Prijs van Zürich behaald. Maar hij had geweten dat dit jaar dé wending zou komen als hij maar eindelijk eens aanvallend zou rijden. En het gebeurde in de aprilmaand van 1993, als de kastanjelaren bloeiden, dat Johan Museeuw de Ronde van Vlaanderen won.