4 oktober 1992; "Bijlmer is een verslaving die de "plane' niet kapot maakte'

Op vier oktober 1992 boorde een Israelische Boeing 747 zich in de flats Kruitberg en Groeneveen in de Bijlmermeer. Drieënveertig mensen kwamen om het leven, honderden raakten dakloos. Veel flatbewoners die de ramp hebben meegemaakt, kregen psychische problemen. Ongeveer twintig procent van de bewoners is uit Groeneveen weggetrokken. Welke sporen van de ramp zijn een halfjaar later nog zichtbaar? Onder de oppervlakte van het Bijlmer-blij-beeld rommelt het.

Kort na de ramp kwamen veel mensen in psychische problemen, vertelt Zegerius. Bij de RIAGG in Zuid-Oost werden tientallen extra hulpverleners ingezet. Nu, zes maanden later zijn de meeste mensen op orde. En opeens zie je een nieuwe groep die gaat zitten piekeren. Opvallend is dat het niet speciaal de mensen zijn die iemand verloren hebben, die in de war raken. “Het heeft iets te maken met wat je aankan en wat je op je dak krijgt. Een combinatie van psychische, financiële, en sociale factoren. En in de Bijlmer woont natuurlijk niet de sociaal meest sterke groep.”

Maar om te stellen dat de Bijlmer collectief in een zwart gat is gevallen, nee. Zegerius: “De Bijlmer heeft een grote veerkracht. Het is een bijzonder sociaal systeem. Al die mensen met die verschillende achtergronden hebben het toch met elkaar gerooid.”

Dit is ook de overtuiging van een andere "samenbinder'. Sinds 1972 woont tekenaar Guido Rooijmans op de tweede verdieping van de getroffen flat Groeneveen. Hij is actief in de bewonerscommissie en heeft bijna een kwart eeuw van eb en vloed in de flat meegemaakt. Junks, vervuiling, criminaliteit: de tijd dat iedereen zo snel mogelijk verhuisde en bijna de helft van de honingraat leegstond. Dan waren er weer periodes dat bewoners iets met elkaar kregen. Dat er samen actie werd ondernomen tegen de overlast, tuintjes werden aangelegd, collectieve ruimtes geschapen. “Op het moment dat het vliegtuig viel zat Groeneveen net weer in de lift”, zegt Rooijmans.

Ongeveer twintig procent van de mensen is na de ramp uit Groeneveen weggetrokken. “De rest heeft er heel bewust voor gekozen om te blijven”, zegt Rooijmans. Volgens hem heeft de ramp de saamhorigheid in de wijk bevorderd. “Mensen maken een praatje in de lift. Ze informeren hoe het ermee gaat, op de markt of bij de sigarenboer. Wat er is onstaan, is een soort trots. Zo van: Dit zal toch niet de reden zijn dat ze ons gaan afbreken.” Hij besefte dat heel goed toen hij onlangs meeliep in de anti-racismedemonstratie in Amsterdam. “Ik loop hier nu wel”, dacht hij. “Maar in de Bijlmer dòen we het gewoon.”

De Bijlmermeer kleurrijk; Een architectonisch mislukte woonfabriek die ondanks alles een creatieve smeltkroes van talen en culturen vormt; Een unieke wijk van "survivers' die ook zoiets als de vliegramp kan absorberen - dat is de waarheid van Juliette en van Guido Rooijmans en van al die andere instellingen die de "lijm' van de wijk vormen.

Toch is deze waarheid voor een deel ook een mythe. Een mythe die veel bewoners en hulpverleners nodig hebben om de moed erin te houden. Want onder de oppervlakte van dit Bijlmer-blij-beeld rommelt het wel degelijk.

De duik van de Boeing 747 op de flats Groeneveen en Kruitberg heeft de gemeente Amsterdam de schrik van haar leven bezorgd. Een crisisteam onder leiding van burgemeester E. van Thijn daalde onmiddellijk af in het onderaardse van het gemeentehuis en coördineerde de politie, brandweer, vrijwilligers, ambulances. Iedereen deed uitstekend zijn werk. De communicatie tussen het "frontlijnorganisaties' en het "oppercomando' liep niet altijd even soepel, maar wel bevredigend, zo blijkt uit de glimmende evaluatierapporten die inmiddels zijn opgesteld.

Slechts op één punt liep de organisatie volledig uit de hand: met geen mogelijkheid kon worden vastgesteld wie en met hoevelen de mensen in de getroffen flats hadden gewoond. Het bevolkingsregister, waaruit de Duitsers vijftig jaar geleden nog zulke accurate informatie putten, bleek nu practisch waardeloos bij het inventariseren van de slachtoffers. Mensen waren ingeschreven op adressen waar ze allang niet meer woonden. Het werd pijnlijk duidelijk: Amsterdam was de greep op haar bevolking volledig kwijt.

Zo kon het gebeuren dat in de eerste dagen na de ramp gesproken werd over honderd en zelfs tweehonderd doden. Pas twee maanden later werd het officiële dodental "afgemaakt' op 43. “Maar zeker zullen we het nooit helemaal weten”, zegt een woordvoerder van de gemeente.

Al snel zag Van Thijn zich genoodzaakt een oproep te doen aan alle slachtoffers om zich te melden. Iedereen - legaal of illegaal - zou worden geholpen, beloofde de burgemeester. Uiteindelijk mondde dit uit in het beruchte tafereel aan de Herengracht: 2000 mannen en vrouwen die zich voor het bevolkingsregister verdrongen om een bewijs van inschrijving te halen dat hun recht kon geven op een plaatsje op de lijst van illegale slachtoffers die door de gemeente aan staatssecretaris Kosto (justitie) zou worden voorgedragen voor legalisering.

Tot op de dag van vandaag is deze zogeheten Kostolijst niet af. Ondanks de hartstochtelijke manier waarop de gemeente nog steeds vasthoudt aan het idee dat het mogelijk is een eerlijke lijst samen te stellen, blijkt in de praktijk steeds duidelijker dat de Kostolijst een illusie is. Mensen die er niet op horen staan er wel op en mensen die overduidelijk slachtoffer zijn, vallen buiten de boot. Dit is niet alleen de mening van de advocaten van de slachtoffers, maar van elke organisatie en hulpverlener die bij de opvang van deze illegalen is betrokken.

De Bijlmer is een wereld waarin netwerken en verbanden zijn gegroeid waarop vadertje Staat nog maar een beperkte greep heeft. Honderdzesentwintig verschillende culturen leven er samen in een wijk waar het gemiddeld inkomen tot de laagste van Nederland behoort. Dertienhonderd hoge, betonnen flats waarin elk twee- tot drieduizend mensen dicht op elkaar leven. Er is weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat deze wijk ook een hogedrukpan is, waarin het samenleven niet altijd even idyllisch is als de Bijlmer-blij-mythe wil.

Nog geen twee dagen na de ramp werden de eerste spanningen zichtbaar. “Er wordt ontkend dat dit een zwarte ramp is”, klaagde de Surinaamse organisatie Kwakoe. “Mensen hebben troost nodig vanuit hun eigen culturele achtergrond. Maar het lijkt erop dat ze er alleen op uit zijn te bewijzen dat hun witte rampenplan werkt.”

De Antilliaanse gemeenschap op zijn beurt klaagde dat Surinamers het rouwproces naar zich toe probeerden te trekken. Het verwijt werd er niet minder op toen uiteindelijk bleek dat slechts vier van de slachtoffers van Surinaamse afkomst waren. Dan waren het de Arubanen tegen de mensen van Curaçao. Of gemeenschappelijk weer tegen de Ghanese gemeenschap, waarbinnen ook al snel conflicten uitbraken. Verhalen over chantage en huisbazen die duizend tot vijfduizend gulden vroegen aan hun illegale landgenoten voor een getuigenverklaring om op de Kostolijst te komen.

Het eendrachtig rouwvertoon in de RAI een week na de ramp, dat heel Nederland ontroerd volgde, bleek uiteindelijk alleen te danken aan de hogere bemiddelingskunst van mensen in en rond het door de gemeente bijeengebrachte organisatiecomité. Ook toen nog vertoonde de eensgezindheid haarscheurtjes. Het optreden van de joodse voorzanger Hans Bloemendaal werd begeleid door onrustig geschuifel in een deel van de zaal - het was toch een Israelische Boeing geweest, die neerstortte? Tijdens het intermezzo van een Ghanese muziekgroep wist de organisatie ternauwernood te voorkomen dat er een vechtpartij uitbrak binnen de groep Ghanezen op de tribune. De keuze van de muziek was ongepast, meende een deel van hen. De organisatie bood na afloop excuus aan.

Nog steeds woekert de onenigheid tussen de organisaties voort. Zo lukte het de Antilliaanse welzijnsorganisatie Forsa pas vorige week om een coördinator aan te stellen voor de nazorg aan de slachtoffers. “Even waren we allemaal één. Maar uiteindelijk is die ramp de slagroom op de taart van de verdeling geworden”, verzucht een medewerker van het Antilliaanse centrum Bon Bini.

De gemeente wil de problemen in de wijk oplossen door de Bijlmer onder een dikke deken van welzijnswerk en hulpverlening te stoppen. Wat ze vergeet is dat deze organisaties vaak ónderdeel van de problemen vormen. Tekenend is de onverkwikkelijke manier waarop een interne ruzie over de hulp aan een groep illegale Ghanezen binnen de machtige welzijnskoepel BZO werd uitgevochten. De Afrikanen werden tot half januari opgevangen in een buurthuis. De conflicten tussen de hulpverleners liepen zo hoog op, dat de directie besloot de mensen voor wie de hulpverlening bedoeld weg te sturen: de Ghanezen werden het buurtcentrum uitgezet. “Ongeveer elke drie jaar worden er voor de Bijlmer nieuwe plannen verzonnen”, zegt Guido Rooijmans. “Dan mogen we opdraven om in te spreken. Maar ik kan me niet herinneren dat het er ooit iemand luisterde. We hebben hier als Bijlmerbewoners de nodige bierkaai-ervaringen. En altijd gaat het om afbraak en sloop. Je vraagt je af nu ook na de ramp: Wanneer wordt er in de Bijlmer eens iets opgebouwd?”

De zon is al bijna onder als uit een van de flats plotseling harde funk-muziek davert. Ook dit is de Bijlmer. Vierduizend mensen die meegenieten als één bewoner de volumeknop opdraait. “In de Bijlmer heeft iemand geen verleden of toekomst. Hij kan verdwijnen in het niets. Tegelijk stelt het wonen in deze flats de hoogste sociale eisen die er zijn. Dat is de paradox van de Bijlmer”, zei de Friese pastor Fred Verwaaijen die na de ramp expres in de wijk kwam wonen.

Op het grasveld tussen de flats is het stil. Een kroeg of een snackbar is er niet. In de binnenstraat van Groeneveen hangt de geur van urine. Ook hier is het stil. Bij de lift is een kleine ruimte waar vanavond wordt vergaderd. Een tiental bewoners bespreekt de aanleg van de nieuwe verwarmingsinstallatie en de vraag waar de post voor de volgende vergadering naar toe moet. Er wordt thee gedronken en veel koffie. Opeens slaat de stemming om. “We zitten hier als blanken steeds te praten over wat die zwarten willen. Maar is er ooit een zwarte die vraagt wat wij Nederlanders willen?” zegt een vrouw. “We zijn vreemden geworden in eigen land.” Het is alsof er een deksel van de ketel vliegt. Er wordt niet meer vergaderd, maar gehuild en geschreeuwd. “Straks gooien ze ons het land nog uit.” Een oudere man slaat met zijn vuist op tafel: “Wekenlang heb ik zitten vragen om hulp, maar ik moest oprotten omdat ik blank was. Iedereen liep alleen maar achter die zwarten aan. Het enige wat je als blanke kreeg, waren snauwen en grauwen.” De man stampt op de vloer en schuimt van woede. “De blanken hebben de meeste mensen gered”, huilt een vrouw. “Maar wat kregen we? Stank voor dank. Die Marokkanen roepen altijd dat ze Nederlander zijn. Maar als er een ramp gebeurt, moeten ze hulp in het Papiemento. Het wordt tijd dat we aan onze eigen soort gaan denken. Soort bij soort. Zoals het hoort.” Het Bijlmer-kleurrijk beeld na de ramp.