WAAROM DE GEEST TOCH WINT VAN DE MATERIE

The Rediscovery of the Mind door John R. Searle 270 blz., The MIT Press 1992, f 33,15 ISBN 0 262 69154 X (pbk.)

Het geest-lichaamprobleem is eindelijk opgelost! Dat is de laatste decennia al vaker beweerd, maar dan ging het telkens om redeneringen die gedachten, gevoelens en wensen tot louter fysieke hersenprocessen herleidde. Volgens de Amerikaanse filosoof John Searle is dit tegenwoordig zo populaire materialisme echter onhoudbaar, omdat het mentale verschijnselen verdoezelt. Toch meent Searle in zijn recent verschenen The Rediscovery of the Mind niet dat hij terug hoeft te vallen op het dualisme van Descartes, dat de mens opvatte als ”een geest in een machine', om het bestaan van mentale processen in filosofische zin veilig te stellen.

De pretenties van The Rediscovery of the Mind zijn niet gering. Het boek is bedoeld als een doorbraak in de eeuwenoude patstelling tussen materialisme en dualisme. Searle bedient zich van een prachtig geserreerde, uiterst polemische stijl: hij begint met een overtuigende kritiek op de voornaamste recente posities, terwijl hij stukje bij beetje zijn eigen theorie ontvouwt.

De toonaangevende moderne visies op het lichaam-geestprobleem komen tegenwoordig bijna allemaal neer op een of ander vorm van materialisme. Deze traditie begon met het verschijnen van Gilbert Ryle's The Concept of Mind in 1949, een boek dat (ondanks zijn aanval op de geest) door zijn heldere stijl en onverbloemde kritiek een voorbeeld voor Searle moet zijn geweest.

Ryle liet zien hoe absurd het was om bij geestelijke verschijnselen (angst, hoop, liefde, pijn) en bij de verhouding tussen lichaam en geest van oorzaak en gevolg te spreken: dergelijke categorieën zijn immers juist ontleend aan de wereld van de materie. Hij diskwalificeerde het dualisme van Descartes als ””de mythe van het spook in de machine'' en betoogde dat geestelijke processen niet op zichzelf staan, maar slechts in termen van (voor anderen waarneembaar) gedrag kunnen worden begrepen. In dit perspectief is het pas zinvol om van ”angst' te spreken als iemand angstgedrag vertoont; angst is geen autonoom mentaal verschijnsel.

Sinds Ryle heeft dit behavioristische perspectief zich in verschillende meer of minder subtiele varianten gemanifesteerd. Searle veegt het in één keer van tafel. Daarna vat hij zijn argumenten nog eens samen in het als illustratie bedoelde grapje van de twee behavioristen die net met elkaar naar bed zijn geweest. De een tot de ander: ””Je vond het heerlijk! Wat vond ik ervan?''

EERSTE KLAP

Deze kritiek op het behaviorisme is niet nieuw. Voor Searle is het ook alleen maar de eerste klap die hij naar de eerbiedwaardige traditie uitdeelt. In The Rediscovery of the Mind passeert een reeks materialistische standpunten de revue, die het bewustzijn elimineren en die hij stuk voor stuk verpulvert onder de hamer van zijn kritiek. Hij doet dat heel effectief, door telkens met een common sense tegenwerping te beginnen en daarna zijn argumentatie met enkele meer technische bezwaren kracht bij te zetten.

Zo verwerpt Searle verschillende soorten van de zogeheten identiteitstheorie. Die beweert dat lichamelijke en geestelijke processen eigenlijk twee kanten zijn van eenzelfde medaille, op de manier waarop je empirisch vast kunt stellen dat water en H2O identiek zijn. Maar als je aanneemt dat bij angst de angstervaring gelijk is aan een reeks neurofysiologische eigenschappen, moet je beide onafhankelijk van elkaar in empirische termen kunnen beschrijven voor je kunt laten zien dat ze identiek zijn, wat volgens Searle nooit lukt.

Het belangrijkste is zijn verzet tegen ””cognitive science'', de stroming die met een beroep op de resultaten van artificiële intelligentie poneert dat de geest zich tot de hersenen verhoudt als een computerprogramma tot de computer. De meest bekende (en overtuigende) vertegenwoordiger hiervan is Daniel Dennett, onlangs te zien in Wim Kayzers veelbesproken tv-serie ”Een schitterrend ongeluk'.

Bij zijn aanval op Dennett en de zijnen beroept Searle zich op het door hem voor het eerst in 1980 geformuleerde argument van de Chinese kamer, dat veel discussie heeft opgeroepen. Een computer kan volgens hem begrip simuleren - bijvoorbeeld van de Chinese taal - zonder te ”begrijpen' (Chinees te kennen). Stel: iemand die geen Chinees spreekt zit in een kamer met een heleboel chinese symbolen en een computerprogramma om vragen in het Chinees te beantwoorden. De input van het systeem bestaat uit in het Chinees gestelde vragen, de output uit reeksen karakters die als antwoord dienen. Als het programma goed genoeg is, zijn de antwoorden niet te onderscheiden van wat een Chinees zou antwoorden. Toch kent degene die in de kamer zit geen Chinees, evenmin als de computer en het programma van dit ”systeem'.

Searle illustreerde met dit voorbeeld dat regels niet voldoende zijn om de betekenis van woorden te begrijpen, of technischer uitgedrukt, dat begrip niet alleen syntaxis maar ook semantiek veronderstelt. In The Rediscovery of the Mind gaat hij nog verder door te betogen dat zelfs alleen al het louter volgen van (syntactische) regels intentioneel is en dus van een vorm van bewustzijn uitgaat.

ONDER VUUR

Dennett verwerpt het argument van de Chinese kamer. In zijn Consciousness explained, onlangs vertaald als Het bewustzijn verklaard (Contact, ƒ 65,-), wijst hij er op dat Searle geen oog heeft voor de enorme complexiteit van wat er gebeurt als er vragen gesteld en antwoorden gegeven worden. Juist in de complexiteit van het geheel schuilt het ”bewustzijn', al krijgt dit woord zo wel een andere betekenis.

Dergelijk ”cognitivisme' komt bij Searle zwaar onder vuur te liggen. Wat betekent die computer-metafoor eigenlijk? vraagt hij zich bijvoorbeeld af. Fundamenteel blijft het tellen, zij het snel en volgens een aantal regels. Maar dit rekenen met binaire symbolen (0 en 1) kan in principe even goed met de radertjes en wieltjes van een ouderwetse rekenmachine worden uitgevoerd als met een hydraulisch systeem of met elektrische stroompjes door micro-chips. En zelfs kan het met een uitgedokterd systeem, waarin kat, muis en kaas optreden en waarin de kat poortjes opent die wij als een 0 of een 1 opvatten!

De strekking van dit commentaar is, dat het bij cognitivisten als Dennett volkomen onduidelijk blijft wat hij met die computer-metafoor nu precies wil, afgezien dan van het verduisteren van het bewustzijn. Steeds komt de kritiek van Searle neer op de constatering dat de materialisten iets verdonkeremanen uit ””angst voor het bewustzijn''. Ook Dennett bezondigt zich hieraan door bewustzijn zo te definiëren, dat de meest wezenlijke trek erdoor verdwijnt.

Die wezenlijke eigenschap schuilt, zo stelt Searle, in de subjectiviteit van de geest, en juist die subjectiviteit maakt wetenschappers bang. Zij durven nooit verder te gaan dan het perspectief van de derde persoon. Het simpele voorbeeld van ”angst' laat echter zien dat dit niet afdoende is; je leert niet wat angst is door angstgedrag van anderen, noch door een minutieuze beschrijving van neurofysiologische processen, maar alleen door het zelf te ervaren in de eerste persoon enkelvoud. Ik weet wat angst is als ik angst heb.

Noam Chomsky heeft eens opgemerkt, dat zo gauw we een verschijnsel begrijpen we het ”fysisch' gaan noemen. Searle haalt deze uitspraak aan om te illustreren, hoe neurotisch filosofen op dit gebied een materialisme aanhangen, dat voor alles ”objectief' en ”wetenschappelijk' wil zijn. Niettemin blijkt de vrees om voor een cartesiaans dualist, en dus voor een verdediger van het bestaan van de geest te worden aangezien, een slechte raadgever. Want met de eliminatie van geestelijke verschijnselen is het begrippenkader van Descartes nog lang niet verlaten. De fundamentele fout steekt in het uitgangspunt, de vraag hoeveel soorten ”dingen' (substanties, eigenschappen) er zijn.

DRONKELAP

We moeten helemaal niet tellen, schrijft Searle. Dan raken we ook niet verstrikt in de discussie die met Descartes begonnen is en die telkens uitloopt op een materialisme dat het bewustzijn kwijtmaakt of versluiert. Want dat leidt ten slotte tot het gedrag van de dronkelap die zijn autosleutels in de bosjes is verloren, maar onder een lantaarn blijft zoeken omdat het daar lichter is. Searle stelt voor toch maar eens in de bosjes te kijken; onderzoek van de geest schreeuwt om aandacht, zowel biologisch, fysiologisch als filosofisch.

Hij gaat daarbij uit van de wereld zoals die door de huidige fysica beschreven wordt en van de evolutieleer, die overigens ook in het functionalisme van Dennett een grotere rol begint te spelen. Het zijn de twee pijlers van het door Searle gepropageerde ”biologisch naturalisme'. Deze theorie vat bewustzijn op als een biologische eigenschap van menselijke (en sommige dierlijke) hersenen, een eigenschap die in zoverre afwijkt van andere, dat hij alleen in het perspectief van de eerste persoon kan worden begrepen. Volgens Searle is bewustzijn een fysieke eigenschap van een hogere, dat wil zeggen complexere, orde die intrinsiek subjectief is.

De biologische verklaring voor het bestaan van dit verschijnsel komt er op neer dat organismes met bewustzijn in het proces van natuurlijke selectie een grotere kans op overleving hebben. Zulke organismes hebben immers een groter onderscheidingsvermogen dan biologische soorten die hiervan verstoken zijn.

The Rediscovery of the Mind is in de eerste plaats een belangrijk boek door de ongezouten en rake kritiek op het gros van de huidige theorieën over lichaam en geest. Of Searle zelf het dualisme van Descartes helemaal achter zich heeft gelaten, kan echter worden betwist, gezien zijn bewering dat mentale toestanden een onherleidbare (dus subjectieve) essentie hebben, dus een louter metafysische aanspraak op bestaan maken. Deze opvatting van een ”subjectieve ontologie' ligt hier dicht tegen die van de filosoof Thomas Nagel aan, die zo'n twintig jaar geleden in zijn beroemde artikel ”Hoe is het om een vleermuis te zijn?' al op een vergelijkbare manier een plaats voor het subjectieve van de geest probeerde in te ruimen. Maar het verschil met Nagel is dat Searle het geest-lichaamprobleem meent te hebben overwonnen, terwijl de eerste het vooralsnog onoplosbaar noemt.

EERSTE STAP

In zijn bespreking van Searles boek in The New York Review of Books (4 maart 1993) geeft Nagel duidelijk aan, waarom het geest-lichaamprobleem nog niet bevredigend is opgelost. Searle weet immers niet te rechtvaardigen dat bewustzijn een fysieke eigenschap is. ””Misschien gelooft hij'', zo schrijft Nagel, ””dat als hersenen uit fysieke deeltjes bestaan hier vanzelf uit volgt, dat al hun eigenschappen fysisch zijn.'' Maar dat hoeft natuurlijk helemaal niet, voegt hij eraan toe. En daarmee is het dualisme van Descartes nog steeds niet overwonnen, al kan de erkenning, dat bewustzijn een intrinsiek subjectieve eigenschap van de hersenen is, daartoe wel een eerste stap blijken te zijn.

De grote verdienste van The Rediscovery of the Mind is dat het de kern van het geest-lichaamsprobleem weer in het centrum van de aandacht brengt, met een stilistisch vertoon dat niet onderdoet voor dat van Dennett. Die meent overigens eveneens dat hij het probleem achter zich heeft gelaten. Doch waar bij Dennett de geest verdwijnt, komt hij bij Searle weer uit de fles. Wat dat betreft, roept de titel van zijn laatste hoofdstuk, ”The Proper Study', niet geheel toevallig reminiscenties aan de bekendste dichtregel van de achttiende eeuw op, namelijk Pope's ””The proper study of mankind is man''. Voor Searle zou een minieme wijziging volstaan: ””The proper study of mandkind is mind.''