Verbluffende techniek in opera La Calisto; De goden dalen neer in het labyrint der wellust

Voorstelling: La Calisto van F. Cavalli door de Nationale Opera Brussel en Concerto Vocale o.l.v. René Jacobs m.m.v. o.a. Marcello Lippi, Simon Keenlyside, Maria Bayo, Graham Pushee, Monica Bacelli en Dominique Visse. Decor, kostuums en regie: Herbert Wernicke. Gezien: 1/4 Muntschouwburg Brussel. Herhalingen: 4, 6, 8, 9, 11/4.

La Calisto van Francesco Cavalli, die nu door de Nationale Opera Brussel wordt gebracht in een even amusante als perfecte uitvoering, stamt uit een merkwaardige overgangstijd. De opera is van 1651, iets meer dan een halve eeuw na de "uitvinding' van het genre opera als de vermeende reconstructie van het antieke Griekse drama. Cavalli ontwikkelde de opera in de richting van het vocale spektakel, waaraan La Calisto rijk is en die nu in Brussel zo fantastisch wordt gereproduceerd. Vrolijkheid en verbazing alom wanneer de bariton Marcello Lippi (in de rol van de oppergod Giove) in travestie (als Giunone) ineens een opmerkelijk goede sopraan blijkt. En Dominique Visse lijkt met zijn elastieken stem geboren voor de boosaardige capriolen van de duivel Satirino.

De Griekse godenwereld werd - anders dan ten tijde van de Renaissance - halverwege de zeventiende eeuw niet meer ernstig genomen. De goden hebben zeer aardse, zinnelijke en overspelige caprices. Ze dienen als een metafoor voor de corrupte moraal van de hogere standen: wat dat betreft er is geen verschil tussen het Italië van 340 jaar geleden en dat van nu.

Hemel en aarde veranderden destijds van aanzien. Veertig jaar vóór La Calisto had Galilei zijn sterrenkijker gericht op de hemel en vastgesteld dat de planeet Jupiter geen goddelijkheid bezit, maar onderworpen is aan de wetten van de wetenschap. Al moest hij later zijn opvattingen afzweren, niet alleen de Griekse mythologie maar ook veel van het christelijk geloof in het fysieke bestaan van hel en hemel was sindsdien voorgoed bestempeld als mythe.

Regisseur Herbert Wernicke, die ook decor en kostuums ontwierp, toont dat veranderende wereldbeeld op treffende wijze. De toneelruimte bestaat uit een antiek universum, een zaal zoals de Sixtijnse kapel met een reusachtig fresco rondom, geschilderd als de nachtelijke hemel met naturalistische weergegeven sterrenbeelden, zoals Grote Beer en Vissen, Tweelingen, Schutter etc. We kijken mee door de telescoop van Galilei en zien de ontluistering van de voorheen onaantastbare godenwereld. Het is allemaal schijn, gebruik makend van veel, vaak verbluffende theatertechniek.

Het fresco komt aan alle kanten tot leven tijdens een ingewikkelde Feydeau-achtige vertelling over het labyrint der wellust. De goden dalen neer uit het plafond en stijgen weer op, in de zijwanden bevinden zich geheime deuren en toegangen, uit de luiken in het podium duiken telkens weer andere personages op, deels afkomstig uit de commedia dell'arte. De zielige Endymion is Pierrot.

De goden, met hun seksuele preoccupaties verwikkeld in een groteske onderlinge strijd om Calisto, gedragen zich onbeschaamd schunnig. Een mes dat voor het kruis wordt gehouden als liefdesdolk is nog wel de meest onschuldige vunzigheid die men hier te zien krijgt. Verkleedpartijen leiden tot onverwachte lesbische en homoseksuele affaires.

Hoewel uitdrukkelijk niet ontworpen als een authentieke reconstructie, is de bedoeling van het origineel hier voortreffelijk weergegeven. Wernicke interpreteert La Calisto over de uitspattingen van Giove (Zeus) als de basis van Don Giovanni en doet dat op speelse en briljante wijze, bij voorbeeld als hij Giove laat genieten van vorige veroveringen, die zijn bijgehouden in een leporello, de uitklapbare catalogus die Leporello bijhield voor Mozarts Don Giovanni.

René Jacobs, die zijn eigen Concerto Vocale dirigeert, vulde Cavallis' muziek aan met vele fragmenten van andere componisten en verrijkte de instrumentatie. Het verrassend afwisselende en levendige geheel is, mede dankzij een voortreffelijke cast, opzienbarend.