UNIFORM (1)

In mijn tijd moesten studenten nog gewoon voor hun vervoer betalen, wat ze, als het even kon, niet deden. Ze hadden er het geld niet voor en ze konden het bovendien rechtvaardigen: een tram is een voortbewegend stuk openbare ruimte, verklaarde een medestudent (hij woonde in een kraakpand: een ommuurd stuk openbare ruimte) en sindsdien zag ook ik geen reden meer om een tramkaartje te kopen. Tot het Gemeentelijk Vervoerbedrijf van Amsterdam met een nieuwe vinding kwam, de "wagenbegeleider': een te laag opgeleide, kans- en perspectiefloze controleur die zijn miezerige jaarcontract alleen verlengd kreeg als hij genoeg bonnetjes had uitgeschreven.

Eén zo'n controleur viel mij op. Hij was van hindoestaans-Surinaamse afkomst en hij zag er prachtig uit met zijn Duran Duran-coupe (flinke kuif, keurig staartje), zijn opgetrokken kraag en iets gestroopte mouwen, waardoor de blinkende armband om zijn pols tot z'n recht kwam. Hij droeg zijn uniform alsof het een prinselijk gewaad was en hij genoot zichtbaar van de macht die hij eraan ontleende. Zijn accent was zo perfect Amsterdams, dat ik hoopte dat hij nooit naar zijn land terug zou willen, omdat hij er vreselijk zou worden uitgelachen. Maar het zag er niet naar uit dat hij dat van plan was, hij was in Nederland carrière aan het maken.

Nadat ik een paar keer door hem was bekeurd, besloot ik een portret van hem te maken, in het kader van mijn studie sociale geografie. Welke culturele en psychologische veranderingen zich voordeden bij allochtonen met een loopbaan bij het vervoerbedrijf, was de probleemstelling, waarmee ik naar het GVB stapte voor officiële toestemming.

De afdeling personeelszaken had geen bezwaar, de directe chef van de wagenbegeleiders evenmin, maar omdat het een allochtoon was moest ik ook maar eens spreken met de coördinator van het "allochtonen-overleg'. De coördinator was door de telefoon heel wat minder welwillend. Maar ik had al toestemming van personeelszaken, zei ik. ""Nee jongeman'', zei een nasale stem, ""bij ons gaat dat niet op die manier. Je zult mij eerst moeten overtuigen van het nut van je onderzoek, en dan zal k zien welke deuren ik voor je open kan krijgen.''

Allochtonenbaasje. De man bleek een Surinaamse creool in een driedelig kostuum, ondergebracht in het allerlaatste kamertje op de zolderverdieping van het Vervoerbedrijf. Het plafond was opvallend laag, maar dat gaf niet, omdat de coördinator zelf nog geen anderhalve meter lang was. Hij had twee medewerksters in de kamer, mollige Surinaamse vrouwen die druk bezig waren hun nagels te vijlen.

De coördinator droeg de molligste vrouw op aantekeningen te maken en gedurende het gesprek moest hij haar er een paar keer aan herinneren, waarop ze verlegen knikte - weer vergeten wat ze aan het doen was. Ook had ze de gewoonte om bij iedere belangrijke zin van de coördinator (en zijn zinnen waren allemaal belangrijk) het laatste woord te herhalen. Het is een bekende uiting van eerbied onder de creoolse bevolking, die ook te vinden is in de kawina- en winti-muziek: de omstanders galmen de laatste klanken van de zanger na, bij wijze van instemming. En telkens als ze dat deed, maande de coördinator haar met een plechtige polsbeweging tot stilte.

Ik legde uit dat het maar een klein onderzoekje was, eigenlijk alleen een uitgebreid interview met een wagenbegeleider. ""Ik heb een hindoestaanse jongeman op het oog'', zei ik achteloos. De coördinator veerde op: ""Het spijt mij, maar daar kunnen we niet aan meewerken.'' ""Meewerken'', zei de vrouw.

""En ik zal jou haarfijn uitleggen waarom. Wij werken voor een doelgroep, de allochtonen in Nederland. Jij wilt een doelgroep in een doelgroep onderzoeken, en dat kunnen wij, als coördinatiepunt allochtonenoverleg, niet toestaan.'' ""Toestaan'', zei de vrouw.

""Begrijp je wat ik bedoel?'' vroeg de coördinator. Neen, antwoordde ik naar waarheid.

""Hij begrijpt ons niet'', zei de vrouw.

""Kijk'', zei de coördinator en hij probeerde zijn kalmte te herwinnen door zijn das te strelen: ""Wij hebben een koloniaal trauma. Dat behoor jij als wetenschapper te weten. Je onderzoek is niet representatief. Begrijp me goed, als je zegt: ik wil een doorsnee van de allochtonen onderzoeken, dan zeg ik: goed. Maar je keus bevalt ons niet.''

""Niet'', zei de vrouw.

Ik vroeg of hij het vervelend vond dat ik per se met een hindoestaanse jongen wilde praten. ""Nee, nee'', zei de coördinator (""nee'', zei de vrouw), ""ik zeg niet dat je geen etnische keus mag maken, maar ik vertegenwoordig nu eenmaal alle allochtonen, en jouw onderzoek is niet representatief, het is geen doorsnee.''

Ik herhaalde dat het maar om een vraaggesprekje ging van een paar uur, maar de coördinator snoerde mij de mond: ""Wij vinden het erg jammer dat je je onderzoek zo beperkt houdt.''

Toen verloor ik mijn geduld: het was mjn onderzoek en k bepaalde de beperkingen. Hij wilde blijkbaar alleen meewerken als hij zich met het onderzoek kon bemoeien: ""Dat zal men u zeer kwalijk nemen'', zei ik op felle toon, en ik liet in het midden met welke "men' ik aan het dreigen was.

Het had effect. De man was niet gewend te worden tegengesproken en hij werd zenuwachtig. Hij keek naar de vrouw die nu al een tijdje niets had opgeschreven, maar ze kon hem niet bijvallen, omdat hij nog niets had gezegd.

""We zijn al zo lang tegen elkaar uitgespeeld'', zei hij, ""hindoestanen tegen creolen, creolen tegen hindoestanen. Nu bereik ik stap voor stap dat ze bij elkaar komen, het gaat moeilijk. Van de tweehonderd allochtone wagenbegeleiders zijn er maar enkele hindoestanen en al helemaal geen Turken en Marokkanen. Die mensen zijn zo moeilijk mee te krijgen. En jij wilt juist met een van hen praten.''

Dat was misschien een beter argument, maar ik had hem nu en ik liet voorlopig niet los: bedoelde hij dat ik met een creool moest spreken om een meer "representatief' onderzoek te krijgen? De coördinator begon rusteloos op zijn stoel te schuiven. Van een autoritair baasje met een koloniaal trauma veranderde hij in een zielige man, die op de verkeerde plek met de verkeerde dingen bezig was. ""Die jongens gaan niet begrijpen waarom ze mee moeten doen aan zo'n onderzoek'', murmelde hij zachtjes, ""ze gaan zeggen, waarom die hindoestaan en niet ik...''

Gek was dat: nu hij het gezegd had, verdween bij mij iedere strijdlust. Deze man was met het minderhedenbeleid omhoog gevallen, en net zoals de politieman iets van een misdadiger heeft, had hij iets van een racist. Welke reden had ik om hem zo te sarren? Maar ik was al behoorlijk geïrriteerd; ik zei dat ik al officieel toestemming had gekregen en hem alleen op de hoogte wilde stellen van mijn voornemen. De arme man begreep nu zijn positie, en zei: ""Ik was ook niet van plan de jongen te verbieden om met je te praten, ik ben zeker niet tegen de wetenschap... Maar als coördinator allochtonenoverleg ben ik er niet enthousiast over.''

Bij de deur legde hij een hand op mijn schouder. Een vriendelijk gebaar, maar aan zijn vingers voelde ik de agressie, alsof hij in staat was mij hier in het kamertje van "het allochtonen-overleg' gevangen te nemen, zoals hij met die twee mollige vrouwen had gedaan, die hun nagelvijltjes alweer hadden opgepakt. ""Allochtonenwerk is lopen op een dun koord. Begrijp je dat?''

Ja, dat begreep ik.