Tinbergen 90 jaar; Onverwoestbaar gelovige in een betere wereld

De tentoonstelling over Tinbergen wordt woensdag 14 april om 12.45 uur door minister Pronk geopend in het Tinbergen Instituut te Rotterdam en loopt tot 13 mei (maandag t/m vrijdag van 10 tot 16 uur).

Prof.dr. Jan Tinbergen grossiert in simpele oplossingen voor lastige economische problemen.

Hoe het Westen de welvaart moet handhaven? Door de bevolking te verminderen.

Hoe de almaar stijgende werkloosheid moet worden aangepakt? Mensen moeten een vak leren waar behoefte aan is.

Hoe de groeiende kloof tussen het rijke Westen en arme Zuiden te verkleinen? Verzesvoudig de ontwikkelingshulp.

Een onverwoestbare gelovige in een betere wereld, noemde professor Heertje hem eens. Dat geloof houdt Tinbergen al vele jaren vol. Over ruim een week wordt hij negentig. Reden voor zijn vrienden hem een boek aan te bieden en een tentoonstelling in het naar hem genoemde universitaire instituut in Rotterdam.*

Jan Tinbergen staat bekend als een econoom van wereldformaat. Hij behoort tot de meest geciteerde Nederlandse economen en menig economisch beleidsmaker heeft nog college bij hem gelopen. Sinds 1927 verschenen negenhonderd economische publikaties van zijn hand. Zijn wetenschappelijke werk bij het Centraal Planbureau, aan de Nederlandse Economische School Rotterdam en bij de adviescommissie voor de Verenigde Naties voor ontwikkelingsplanning heeft steeds in nauw verband gestaan met actuele economische problemen.

Tinbergen was in 1935 een van de opstellers van het omstreden Plan van de Arbeid, waarmee de socialisten de werkloosheid deels via socialisaties te lijf wilden gaan, hij speelde een belangrijke rol bij de wederopbouw van Nederland, hij ijverde zijn hele leven om de welvaartskloof kleiner te maken tussen de westerse industrielanden en de Derde Wereld, hij schreef een studie voor de Club van Rome en stelde samen met de socialisten Pronk en Den Uyl een Wereldwerkgelegenheidsplan voor.

In zijn talrijke boeken komt zijn sociale bewogenheid telkens boven, zoals de gevaren en de verspilling van de internationale wapenwedloop, de ongegronde vrees van de rijke landen voor concurrentie uit de Derde Wereld, een afkeer van protectionisme en zijn pleidooi dat het Westen als spaarder in de wereld optreedt en het geld gedeeltelijk investeert in de arme landen. Zijn soms radicale ideeën vielen niet bij iedereen in goede aarde, zoals de "convergentie-theorie'. Tinbergen was ervan overtuigd dat de westerse economieën en die van de Oostbloklanden langzaam naar elkaar toe zouden groeien, zodat een mengsel zou ontstaan van centrale planning en particulier initiatief. Menigeen zag daarin de hand van het marxisme.

Dressoir

In de Haagse vogelwijk leidt de bescheiden Tinbergen een bijna ascetisch bestaan. Zijn woning is als een stilleven uit de jaren vijftig: donker en sober. Tinbergen - zelfs zijn bebop heeft de tand des tijds doorstaan - vindt luxe overbodig. Een vierkante eettafel, een eenvoudig dressoir met foto's en een zithoek. Enkele beeldjes en Japanse prenten getuigen van verre reizen. Het is een begin van wijsheid, meent hij, als men zich bewust wordt van de vele niet-materiële elementen van het menselijk geluk. Het zoeken naar wat ècht de moeite waard is, kan de volgende stap zijn.

In 1969 kreeg Tinbergen als eerste Nederlandse econoom, samen met de Noorse econoom Ragnar Frisch, de Nobelprijs voor zijn baanbrekend werk op het gebied van de econometrie, de wetenschap die met behulp van wiskundige modellen probeert economische processen te analyseren en te voorspellen. Ook ontwikkelde hij in de jaren dertig - tegelijk met de Britse econoom Keynes - ideeën om de conjunctuur te beïnvloeden, zodat de wereld voor diepe depressies zoals die in 1929 zou worden behoed. In tijden van hoogconjunctuur kan worden bezuinigd, maar tijdens recessies moet de overheid juist zoveel mogelijk geld investeren om de economie uit het dal halen.

""Tinbergen is als wetenschapper een echte pionier'', zegt minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking, die direct na zijn studie aan de Economische Hogeschool in Rotterdam nauw met zijn leermeester heeft samengewerkt. Of het ging om economische en regionale planning, de economie van de inkomensverdeling, econometrisch onderzoek, de internationale economische ordening of de economie van de ontwikkelingslanden, op elk terrein was Tinbergen de allereerste die economische analyses produceerde. Pronk: ""En hij was praktisch. Zijn stelling was: je moet onderzoek plegen dat binnen vijf tot zeven jaar in beleid kan worden omgezet.''

Zijn economische theorieën leverden Tinbergen veel waardering op: onderscheidingen, prijzen, eredoctoraten en internationale adviseurschappen. Tinbergen is van oorsprong natuurkundige, maar de sociale tegenstellingen in de jaren dertig en het enorme werkloosheidsvraagstuk trokken hem naar de sociale wetenschappen.

In een reactie op het eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam, dat Tinbergen in 1954 kreeg, lichtte hij zijn overstap toe. ""Onze wereld is, niet slechts in economisch opzicht, labiel geworden. De sociale wetenschappen trachten aan te geven hoe weer grotere stabiliteit kan worden bereikt. Grotere stabiliteit in de conjunctuur, dat wil zeggen minder diepe depressies; grotere stabiliteit in de verhouding tussen de mensen binnen een land door een opruiming van kunstmatige sociale barrières; grotere stabiliteit in de verhoudingen tussen landen door integratie en door ontwikkeling van de achtergeblevenen.'' Dat betekende economisch onderzoek naar de conjunctuur, de inkomensverhoudingen en de internationale arbeidsdeling.

Verdeling van welvaart

De economie is voor Tinbergen vooral een instrument om tot een zo eerlijk mogelijke verdeling van de welvaart te komen, nationaal en internationaal. Hij heeft zich bij inkomensvraagstukken altijd laten leiden door de morele categorie van de rechtvaardigheid. Inkomensverschillen tussen mensen moeten beperkt blijven, anders lopen de spanningen in de samenleving te hoog op.

""Tinbergen was al vroeg een socialistenman'', zegt M. van der Goes van Naters, beter bekend als "de rode jonkheer'. Hij was voor en na de oorlog jarenlang Kamerlid voor de Partij van de Arbeid. In 1923 meldde Tinbergen zich als Leids student aan bij de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Het was het jaar van de grote textielstaking en de armoede lag in Leiden, dat van de textiel afhankelijk was, letterlijk op straat. Strijdlustig trok Tinbergen langs de deuren om geld in te zamelen voor de stakers.

Samen met Van der Goes van Naters liep hij heel wat politieke bijeenkomsten af. Als er in de partij gezongen werd, hadden ze het soms wel even moeilijk. ""Vooral bij dat zinnetje: Wij hebben zelf ervaren, het schrijnend arbeidsleed”, zegt Van der Goes in zijn royale stulpje tussen de Wassenaarse bomen, de jachthond in de hoek. “We vonden het altijd een beetje gênant om dat mee te zingen.” Tenslotte kwam Tinbergen uit een gegoede bourgeois-familie, zijn vader was leraar, en thuis bij de rode jonkheer hadden ze het nog een tikkeltje beter. “Maar wat was er in die tijd mooier dan de kant van de arbeiders te kiezen! Nous avons choisi le champ des ouvriers”, declameert hij in ribfluwelen kniebroek, gympen en een coltruitje vol vuur Romain Roland.

In die jaren twintig ontwaakte bij Tinbergen ook het pacifisme. ""Hij verdomde het om soldaat te worden'', herinnert Van der Goes zich. ""Dan kon je òf de gevangenis in òf vervangende dienst doen. Zo kwam Tinbergen bij het Centraal Bureau voor de Statistiek terecht.''

Het waren de jaren van hoop en verwachting, de jaren van de Volkenbond, een nieuw wereldgeweten. Van der Goes: ""Wij waren zo idealistisch. In Rusland was Lenin opgestaan, een echte intellectueel die de Russen nog van het lijfeigenschap moest verlossen. Met de schrijvers Gorter en Roland Holst geloofden we in "de nieuwe mens'. Nooit meer oorlog. De poorten zouden open gaan. Nu komt het licht, dachten we. In die bodem ontlook die prachtige tulpenbol, Tinbergen.''

Plan van de Arbeid

Het is anders gelopen. Niet het licht kwam, maar de Grote Depressie in 1929. Armoede en werkloosheid. Het uitbreken van de crisis versterkte Tinbergens wetenschappelijke en politieke belangstelling alleen maar. In die periode ontwikkelde hij zijn planmatige socialistische ideeën, die hij onder meer beschrijft in het boek De Konjunktuur (1933), waarin hij wijst op de tekortkomingen van het kapitalisme.

Nu hoefde je in de jaren dertig geen socialist te zijn om plannen te ontwikkelen om de economie uit het slop te halen. De depressie liet zulke diepe sporen na dat iedere econoom studeerde op mogelijkheden om een herhaling te voorkomen. Keynes' General Theory on Employment, Interest and Money werd als een bevrijding ervaren. In dezelfde periode stelde Tinbergen met Hein Vos en zo'n twintig anderen het Plan van de Arbeid op, dat de enorme werkloosheid moest oplossen door middel van forse overheidsinvesteringen en de geleide economie bepleitte om greep te krijgen op de conjunctuur.

Dr J.R.M. van den Brink, voormalig bankier bij de Amro, noemde het "een verfrissend plan'. Hij werkte in de jaren van Wederopbouw als minister van economische zaken nauw samen met Tinbergen, die toen directeur was van het Centraal Planbureau. ""Als economiestudent in Tilburg vonden we het Plan van de Arbeid heel vernieuwend. Het hele idee was dat conjunctuur-cycli ontstaan door overcapaciteit. Als bepaalde produkten niet meer gekocht werden, moest de overheid met investeringen inspringen.

""Het is natuurlijk een volslagen illusie gebleken'', vervolgt Van den Brink, ""te denken dat de overheid het beter zou doen dan het bedrijfsleven. We hebben nu de debâcles met RSV en met heel wat Italiaanse staatsbedrijven achter de rug. Het is politiek onmogelijk Keynes' ideeën - over centrale sturing en volledige werkgelegenheid - te realiseren. De praktijk heeft uitgewezen dat de democratie politici juist dwingt de overcapaciteit te handhaven. In tijden van hoogconjunctuur wordt niet bezuinigd en in tijden van recessie kan de overheid niet stimuleren omdat de hoge staatsschuld daar geen ruimte voor laat.''

Van den Brink - hij noemt zichzelf een pleitbezorger van de vrije markt - verwijst naar de filosoof Popper, die zei: ""Je kan wel alle macht in handen van de overheid concentreren, maar daarmee hebben ambtenaren nog niet de hersens van alle actoren op de markt. Dan loopt het fout.'' Hij vond Tinbergens plansocialistische opvattingen destijds wel bevruchtend voor de gedachtenvorming, maar ""als practicus en beleidsmaker zeg ik: zijn ideeën stonden soms ver af van de realiteit''.

Menigeen hield bijvoorbeeld het hart vast bij Tinbergens voorstellen in de jaren zeventig tot eenzijdige ontwapening. Of neem de "talentbelasting', het voorstel van Tinbergen om de voorsprong die iemand heeft wegens aangeboren eigenschappen in de inkomensrace "weg te belasten'. Tinbergen erkende wel dat het doorvoeren van zo'n talentbelasting lastig was, maar meende dat zo'n "rapportcijfer' aanmoedigend kon werken.

""Dagdromerijen'', schreef Van den Brink in Zoeken naar een heilstaat over de welvaartmaatschappij. Het boek Income Distribution (1975), waarin de talentbelasting werd geïntroduceerd, deed hem denken aan de laat-scholastiek in de geschiedenis van de wijsbegeerte, ""aan een steeds verfijnder en ingenieuzer wetenschappelijke methodiek die in de late Middeleeuwen tot steeds subtieler en geraffineerder theologische distincties kwam, maar haar betekenis voor de werkelijkheid vrijwel volledig verloor.'' Van den Brink noemt Tinbergen in die zin een Franciscaan; een zuivere geest, maar naïef idealistisch.

De grote verdienste van Tinbergen ligt volgens Van den Brink in zijn vakkundigheid wat betreft de kwantitatieve aspecten van de economie, waarbij allerlei ontwikkelingen in cijfers worden vastgelegd. Geen wonder dat de regering aan Tinbergen in 1945 vroeg om directeur te worden van het op te richten Centraal Planbureau. Hij was heel bedreven in het meten van de conjunctuur en bracht het effect van economisch-politieke maatregelen nauwgezet in kaart. ""Toen ik minister werd, was het een lieve lust met hem te werken. Had je degelijk cijfermateriaal nodig, dan ging je naar Tinbergen. Hij zag al snel de grote lijnen in de macro-economie. Of je nu gegevens wilde hebben over de industrialisatie van Nederland of welke investeringen gedaan moesten worden om de militairen die uit Indonesië kwamen weer aan werk te helpen, Tinbergen rekende het allemaal uit.''

Geur van heiligheid

Aanvankelijk bekeek het bedrijfsleven het Planbureau met argusogen. De Rotterdamse Kamer van Koophandel waarschuwde voor een "Russische economie', herinnert H.M. de Lange zich, een van de angry young men die het Planbureau bestierden. Hij was directiesecretaris van het CPB en met Bob Goudswaard de schrijver van Genoeg van te veel / Genoeg van te weinig over het omzetten van de wissels in de economie om het milieu te sparen. Na enige tijd drong echter ook tot de meeste ondernemers door, dat het wetenschappelijk werk van de enthousiaste jonge economen verheldering gaf over de koers die voor de Wederopbouw van Nederland kon worden ingeslagen. Op ieder gebied werden gedetailleerde plannen gemaakt: voor de industrie, de belastingen, de bouw van ziekenhuizen, gevangenissen en woningen natuurlijk.

Inmiddels is het Planbureau niet meer weg te denken en de voorspellingen van de Haagse rekenmeesters over de temperatuur van de economie ademen een geur van heiligheid.

Toch komen niet alle voorspellingen uit en met een aantal scenario's heeft het CPB de plank flink misgeslagen. Het Planbureau kan net zo goed worden opgeheven, menen cynici. Wat heeft de overheid aan een handjevol scenario's over de economie, die toch nooit uitkomen omdat er zich altijd onberekenbare ontwikkelingen voordoen? Tinbergen zelf vindt inmiddels ook dat de taken van grote ondernemingen meer gewicht in de schaal leggen dan het Planbureau.

""Die zweem van heiligheid waarin het CPB zich hult was Tinbergen vreemd'', reageert Pronk. ""Je kan op de pretenties van modellen kritiek hebben, maar Tinbergen heeft die pretenties nooit gehad. Voor hem is het Planbureau niet meer dan een nuttige Rijksdienst die adviseert - beleidsmakers maken de keuzes.''

Raar volkje

Dr. Jelle Zijlstra is zo'n beleidsmaker. Heel recent nog adviseerde hij de regering over sanering van de overheidsfinanciën. Zijlstra laat er geen misverstand over bestaan: ""Economische politiek is zonder wiskundige modellen niet meer voorstelbaar. Ze zijn onmisbaar in de gereedschapskist van de econoom. Soms echter worden modellen politiek verkeerd begrepen. Je moet er nooit op blindvaren. Dat heeft ook te maken met het geloof in de maakbaarheid van de maatschappij. De regering kan denken: als ik de uitgaven opvoer, voorkomen we de ellende van de oliecrisis. Maar zo gaat dat niet.

""Keynes zegt dat de overheid meer moet uitgeven als de boel wegzakt, maar wat doe je als het vertrouwen van de investeerders wegvalt? Keynes vond ondernemers een raar volkje, ze worden gedreven door animal spirits. Wanneer investeren ze en wanneer doen ze het niet? We weten het nog steeds niet.'' Daarom moet de politicus bij zijn beleid altijd een dosis gezond verstand een rol laten spelen, stelt de oud-bankier: ""Wat de zin nog is van economische modellen? Ze leren ons in ieder geval iets minder wanordelijk te denken. Tinbergen is de vader van het model. Hij heeft ons de kaart geleverd om de weg door het oerwoud te vinden.''

Waar Zijlstra ook kwam - als minister, als president van De Nederlandsche Bank of als voorzitter van de Bank voor Internationale Betalingen in Bazel - overal kwam hij Tinbergen tegen. Hij herinnert zich een bezoek aan Novosibirsk, waar de progressieve denk-tank van de Russische economische elite al ver voor Gorbatsjov voorspelde dat de plan-economie op instorten stond. Zijlstra: ""De economie-faculteit had Tinbergen hoog in het vaandel. Toen ik zei dat ik bij hem gestudeerd had, was het ijs gebroken. We waren direct helemaal thuis.''

Tinbergen heeft baanbrekend werk verricht, vindt Zijlstra, ook al is hij misschien erg idealistisch in zijn opvattingen over waartoe mensen te bewegen zijn. ""Wij hebben meegemaakt dat er juist veel niet maakbaar blijkt te zijn als de belasting- en premiedruk te hoog wordt. Dan houdt nivellering op een overhevelingsinstrument te zijn en is het destructief voor de economische groei.''

Veren

Zelf ziet Tinbergen inmiddels in dat de maakbaarheid van de samenleving beperkt is, ook op het gebied van de inkomens. Maar hij geeft niet op. Elke morgen is hij vroeg uit de veren om te werken aan uitbreiding van zijn oeuvre, efficiënt en gedisciplineerd. Zijn nieuwste boek gaat - hoe kan het ook anders - over de toekomst van het democratisch socialisme.

Planning van de grote lijnen in de economie blijft nodig. Tenslotte waren er twee maatschappijvormen die een wedstrijd aangingen. Het zuivere kapitalisme heeft al in de negentiende eeuw het loodje gelegd, en het zuivere communisme is door Gorbatsjov afgewezen. Wat blijft over? Het gemengde stelsel. Komt zijn convergentie-theorie toch nog uit. Beide stelsels zijn wel niet naar elkaar toegegroeid, want het ene is ingestort en het andere ploetert verder, maar het resultaat is volgens hem hetzelfde. Het Oosten van Europa wil immers op het Westen lijken. Zweden blijft zijn grote voorbeeld. Indien noodzakelijk moet de staat ingrijpen, goede sociale voorzieningen en hard optreden om mensen aan het werk te krijgen schuwt hij niet.

Zijn advies: de Nederlandse maatschappij niet te veel wijzigen. Mindering van sociale voorzieningen zou volgens hem een stap terug zijn in de geschiedenis. Dáár staat zijn democratisch socialisme voor. De maatschappijvorm van de toekomst, weet hij; steeds meer mensen zullen dat ontdekken en PvdA stemmen.