Onze tijd

Mijn polshorloge ligt nu op een plankje aan de slaapkamermuur, een vreemd element tussen allerlei armbanden, schaaltjes met oorbellen, tubes met smeerseltjes. Het loopt nog wel, maar machteloos, een pitbull met een muilkorf om.

Ik wist de hele dag hoe laat het was. Ik was verslaafd aan tijd. Dat horloge had me als een handboei vast. Terwijl ik makkelijk mijn weg wou gaan, zonder overdreven zorg of horigheid. Ja, langzaam wou ik leven.

Ik heb daarom een zakhorloge aangeschaft. De juwelier noemde het een verpleegstershorloge, maar dat kon me niet schelen. Ik heb het in mijn broekzak weggestopt. Een jasje draag ik niet, laat staan een vest.

Alleen het verschil in gebaar al. Niet die spastische ruk met de arm, de brutale stand van wijzers op je pols. In plaats daarvan een weloverwogen opdiepen, het horloge in de palm van je hand, iets liefdevols, zoals je grootvader nu en dan de tijd nam om te kijken hoe het ervoor stond.

En het werkt. Het wordt beslist nog even laat als eerst, maar minder opgemerkt en zonder al dat rekenwerk, hoelang al dit, hoelang nog dat.

Ik moet bij voorbeeld naar Den Haag. Ik koop een kaartje aan het loket. Ik berg dat kaartje op, loop naar de trap, kijk op mijn pols en zie: o ja, dat is er niet meer.

Dit was gisteren; bijna lukte het de trein te missen.