Ondoorzichtig rommeltje

Over de wijze waarop een overeenkomst tot stand komt zijn bibliotheken volgeschreven. Ons BW geeft op dit punt de burgers een grote vrijheid. In principe kun je in een overeenkomst zetten wat je wilt. Overeenkomsten hoeven trouwens niet op schrift te worden gesteld. Ook een mondelinge overeenkomst is over het algemeen bindend. Degene die een overeenkomst aangaat hoeft het ook niet persoonlijk te doen. Hij kan gebruikmaken van een vertegenwoordiger, die namens hem handelt.

In vroeger tijden is dit wel anders geweest. In het Romeinse recht bij voorbeeld, dat aan de wieg staat van alle moderne rechtsstelsels, lag het anders. Een overeenkomst moest een bepaalde inhoud hebben wilde men ermee naar de rechter kunnen. Ook moest je een overeenkomst persoonlijk sluiten: de vertegenwoordigingsfiguur was onbekend. Wij zouden tegenwoordig niet meer op die wijze uit de voeten kunnen. Denk maar eens aan rechtspersonen: nv's, bv's, stichtingen en verenigingen, maar ook aan kerkgenootschappen en overheidslichamen. Zij kunnen niet anders handelen dan via vertegenwoordigers. Dat zijn dan bestuurders of anderen, die namens de rechtspersoon optreden.

Maar zoals iedere rechtsontwikkeling genereert ook deze haar eigen problemen. Zo kan geen rechtsgeldige vertegenwoordiging plaatshebben als de vertegenwoordiger niet bevoegd is en dan doet zich het probleem voor hoe de wederpartij dat kan weten. Hij heeft geen inzicht in de interne verhouding tussen degene die zich als vertegenwoordiger aandient en degene namens wie deze persoon handelt. Moet de vertegenwoordiger altijd met een volmacht wapperen? In de praktijk gebeurt dat niet. Moet de wederpartij van tevoren bij het handelsregister gaan kijken? Daar komt in de praktijk niets van terecht. Waar het op neerkomt, is dat degene die met een vertegenwoordiger handelt altijd een zeker risico neemt. Volgens de wet wordt hij daarbij geholpen door de regel dat hij mag afgaan op de schijn van bevoegdheid, die door de achterman is gewekt, maar die regel geeft alleen in bepaalde gevallen uitkomst.

Gehakketak over bevoegdheid heeft ertoe geleid dat men voor de nv en de bv de regel heeft ingevoerd dat degene die met een directeur handelt ervan uit mag gaan dat deze bevoegd is, tenzij in het handelsregister staat dat de directeur alleen samen met een ander mag handelen. Iets dergelijks geldt bij de vereniging en de stichting, maar niet bij kerkgenootschappen en overheidslichamen. Gegevens over de vertegenwoordigingsbevoegdheid bij kerkgenootschappen en overheidslichamen zijn ook niet te vinden bij het handelsregister.

Geschillen over bevoegdheid komen regelmatig voor de rechter. Een paar jaar geleden was een zekere Felix de gelukkige. Met de luchthavenmeester op het vliegveld van Aruba was hij ruim een jaar in gesprek geweest over de afhandeling van bepaalde vliegtuigen. Felix zou dat gaan doen en nam met instemming van de luchthavenmeester allerlei voorlopige maatregelen. Hij nam personeel in dienst, verbouwde een stationsgebouw en richtte een paar kantoortjes in. Toen Felix zover was, besloot de minister van vervoer en communicatie op Aruba dat een andere maatschappij de afhandeling moest uitvoeren, zodat Felix zijn activiteiten moest staken. De kernvraag was of Felix aan de toezeggingen van de luchthavenmeester rechten kon ontlenen. Mocht hij erop vertrouwen dat de luchthavenmeester bevoegd was?

Het gerecht in eerste aanleg en het hof op Aruba kwamen er niet goed uit. Zo'n Arubaanse zaak kan dan nog naar de Hoge Raad in Nederland. Die deed kort geleden uitspraak. Als je met een overheidsfunctionaris onderhandelt in de veronderstelling dat deze bevoegd is, kunnen zich omstandigheden voordoen, zo meende de Hoge Raad, waaronder de onjuistheid van die veronderstelling voor rekening van de overheid dient te komen. Daarbij valt te denken aan factoren als: de positie van de handelende overheidsfunctionaris; de omstandigheid dat de situatie voor een buitenstaander, als gevolg van onduidelijkheid, onoverzichtelijkheid of ontoegankelijkheid van de desbetreffende regelingen ondoorzichtig is; eventuele nalatigheid aan de zijde van de overheid om de derde tijdig op de onbevoegdheid van de functionaris opmerkzaam te maken.

Vooral de laatste twee door de Hoge Raad genoemde omstandigheden zijn interessant. Maakt de overheid er een ondoorzichtig rommeltje van, dan zal zij zich niet zo gemakkelijk op de onbevoegdheid van haar functionarissen kunnen beroepen. De zaak is overigens terugverwezen naar het hof voor nader onderzoek.