OESO zoekt naar magische formule voor banengroei

DEN HAAG, 3 APRIL. Dringend gezocht: een magische formule die het probleem van teruglopende banengroei en hardnekkige werkloosheid in de Westerse industrielanden oplost. Het is dè uitdaging voor president Clinton in de Verenigde Staten, waar de groei van het aantal nieuwe banen achterblijft bij het herstel van de economie. Het is een nog groter probleem in West-Europa, waar de hoge werkloosheid in sommige landen een van de oorzaken is van oplopende sociale spanningen. Ook Nederland heeft, zij het minder dan Frankrijk, Groot-Brittannië of Duitsland, te maken met het gebrek aan banengroei, vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

De politieke druk om tot een snelle aanpak van de werkloosheid te komen en om banen te scheppen, neemt in Europese landen toe, temeer nu de recessie een duidelijk spoor begint te trekken. De vraag is welk economisch beleid gevoerd moet worden om de werkloosheid naar aanvaardbare proporties terug te brengen. En: is volledige werkloosheid in open, technologisch snel veranderende samenlevingen nog wel mogelijk?

Robert A. Cornell, de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO, de "club van 24 rijke industrielanden' in Parijs) heeft de magische formule niet kant en klaar beschikbaar, maar de OESO werkt wel aan een studie naar het werkloosheidsvraagstuk in de industrielanden. “Het is een van de belangrijkste onderwerpen op de agenda voor de jaren negentig”, aldus Cornell, die gisteren te gast was op het ministerie van buitenlandse zaken in Den Haag. “De focus is op groei. Groei moet meer banen opleveren, niet in de overheidssector, maar in de particuliere economie. Het gaat om banen, banen, banen.”

Vorige zomer is de OESO begonnen met een twee-jarige studie naar de achtergronden van de werkloosheid. “We harken alles bij elkaar wat we weten over de schepping en vernietiging van banen. De witte plekken in de kennis proberen we op te vullen”, zegt de Amerikaan. Hij verwacht dat voorlopige resultaten deze zomer gepresenteerd zullen worden op de jaarlijkse ministersconferentie van de OESO.

Tien jaar geleden heeft de OESO een sleutelrol gespeeld bij de heroriëntatie van het economische beleid, waarbij de nadruk verschoof van Keynesiaanse vraag-stimulering naar verbeteringen van de aanbodkant van de economie. Nu richt het onderzoek zich op nieuwe wegen om duurzame economische groei te bevorderen èn meer banen te scheppen. Cornell noemt, vooruitlopend op de resultaten van het OESO-onderzoek, drie terreinen waarop het beleid in de industrielanden een nieuwe richting moet inslaan. Deze aanbevelingen vormen tot op zekere hoogte een breuk met de gevestigde opvattingen van de afgelopen jaren.

Op de eerste plaats moet de scheve verhouding die in de meeste landen bestaat tussen begrotingsbeleid en monetair beleid dringend rechtgetrokken worden. Gezien de lage inflatie na jaren van succesvol volgehouden monetaire discipline bestaat in een aantal landen “ruimte voor stimulering van het monetaire beleid” aldus Cornell. Een stimulerend begrotingsbeleid is moeilijker, omdat veel landen nog steeds enorme overheidstekorten hebben. Alleen voor Japan, dat vrijwel geen financieringstekort heeft, bepleit de OESO extra uitgaven. In West-Europa moeten ingrijpende verschuivingen binnen de beperkte begrotingsruimte plaatsvinden, met grotere nadruk op bevordering van particuliere investeringen. Het belastingstelsel en de sociale zekerheid moeten worden hervormd zodat ze niet langer een financiële ontmoediging vormen om betaald werk te verrichten.

Daarnaast is de werking van de arbeidsmarkt dringend aan verbetering toe. In veel industrielanden functioneren de arbeidsbureaus van de overheid slecht en bestaan belemmeringen die een soepele doorstroming van arbeid verhinderen. Op de derde plaats moet, aldus Cornell, veel meer aandacht worden gegeven aan onderwijs en training. Het gaat om meer dan de traditionele schoolse vaardigheden, maar om bekwaamheden die nodig zijn om nieuwe ontwikkelingen aan te kunnen. “Mensen zullen hun hele werkzame leven aan veranderende omstandigheden blootgesteld worden”, zegt hij. Daarop moeten ze voorbereid zijn.

De OESO is volgens Cornell niet overtuigd dat werkgelegenheid onvermijdelijk verdwijnt naar lage lonen-landen omdat de loonkosten in de rijke industrielanden te hoog zijn geworden. De nabije beschikbaarheid van goedkope arbeid, waarmee de Westeuropese landen na de val van het communisme geconfronteerd worden, is volgens hem een voorbeeld van een wereldwijd verschijnsel van technologische veranderingen en economische verschuivingen. De vraag is hoe dit arbeidsmarkten beïnvloedt, in het bijzonder aan de onderkant van ongeschoolde arbeid.

Tegelijkertijd doen zich in de rijke landen nieuwe bronnen van groei en van werkgelegenheid voor, beklemtoont Cornell. De opmars van steeds goedkopere elektronica maakt een einde aan traditionele, arbeidsintensieve produktieprocessen. Hierdoor vormen de arbeidskosten een steeds kleiner deel van de totale produktiekosten. Het gevolg is dat juist in hoogontwikkelde landen netwerken ontstaan van toeleveranciers en producenten die snel kunnen inspelen op wisselende marktomstandigheden en verschuivende wensen van klanten. Dat zal nieuwe groei opleveren, en groei betekent werk. “Banen zullen terugkomen naar de rijke landen”, voorspelt Cornell. Het is een positieve boodschap die de OESO de vertwijfelde politici in de industrielanden wil meegeven.