"Misschien leren renners tegenwoordig weer diep te gaan, heel diep'

Zestien jaar is hij in de wielerfabriek de meesterknecht geweest. Ruim zeven jaar is hij alweer ploegleider bij Peter Post. WALTER PLANCKAERT, de middelste van de drie fietsende broers uit het Belgische Nevele. Aan de vooravond van de Ronde van Vlaanderen. Over de "grote bekken die hun koffers kunnen pakken'. Over de terreur van de "fietscomputerkes'. Over de zachtaardigheid van Fondriest.

Als Jo Planckaert de familietraditie zou kunnen voortzetten, dat zou “wreed schoon” zijn, peinst hij boven zijn mineraalwater zonder koolzuur. Wenkbrauwen als rupsen deinen loom in de zeewind. Stamgasten van het etablissement in De Panne, die voorjaarsmoeie Belgische badplaats, komen hem eerbiedig de hand drukken om hem te bedanken “voor de onvergetelijke momenten” die hij hen geschonken heeft.

Hijzelf won de Ronde van Vlaanderen morgen op de kop af zeventien jaar geleden. Vóór Francesco Moser en Marc Demeyer. In 1988 stuiterde Eddy Planckaert, zijn tien jaar jongere broertje, als snelste over de kasseien. En over twee, drie jaar, voorspelt “de rustigste van alle Planckaerts”, kan Jo de fakkel overnemen. Neef Jo, de 22-jarige zoon van zijn oudste broer Willy, die in 1966 de groene trui won in de Tour de France. Als renner van de Post-ploeg is de jongste telg uit het wielergeslacht van de Planckaerts sinds vorig jaar in de leer bij zijn oom.

Hij heeft nog veel te leren, zegt zijn oom. Hij is nog lang niet vakkundig genoeg. Maar hij heeft de eigenschappen om de Ronde van Vlaanderen op zijn erelijst te schrijven. “Een sterk karakter moet ge daarvoor hebben. Kunnen afzien. Niet te rap denken dat ge geklopt zijt, ook niet als ge twee keer lek hebt gereden. En ge moet kunnen vechten, kunnen sturen en wringen, ook behoorlijk kunnen sprinten. Want al die zestien bulten in de Ronde, dat zijn eigenlijk korte sprinten op het tandvlees. Jo verteert die hellingskes heel goed.”

Voor jongelingen als Jo Planckaert en Wilfried Nelissen, zegt hun ploegleider, is het dit jaar belangrijk ervaring op te doen. “Want ge kunt wel zeggen wat er gaat gebeuren in de wedstrijd. Maar ze moeten het toch zelf ondervinden.” Schamper spreekt de praktijkman Walter Planckaert dan ook over “ploegen die de hele dag zitten te vergaderen vóór een wedstrijd”. Hij gelooft niet in de waarde van zulke taktische prologen. “Daar worden de renners maar onrustig van. Dan malen ze: "ga ik het wel goed doen?' Dan slapen ze slecht.”

“Iedereen moet weten wat zijn werk is. Dat is voldoende. Wie de beschermde renners zijn die in de finale moeten komen. Wie de wielen moeten afgeven en de kopmannen naar voren moeten brengen op de belangrijke punten. De rest moet ge beslissen in de wedstrijd. Het verloop van de koers kunt ge toch nooit voorzien.”

“Machteloos staat ge als ploegleider in de Ronde van Vlaanderen alleen als ge een slecht nummer van volgauto hebt. Dan komt ge niet meer bij de renners. Dan kunt ge niet meer tegen de renners spreken. Als dan twee van uw goeie renners op de Oude Kwaremont defect rijden, speelt ge in de finale niet meer mee.”

Daarom laat hij zijn renners in Milaan-Sanremo, de eerste wereldbekerwedstrijd van het seizoen, niet alleen rijden voor de overwinning maar ook voor een goede klassering. Het ploegenklassement voor de Wereldbeker bepaalt de rangorde van de volgauto's bij de volgende wedstrijd. “We hebben nu geluk”, zegt hij voor het eerst met een spoor van een glimlach. “We staan tweede in het klassement, maar de nummer één, Ariostea, doet in de Ronde van Vlaanderen niet mee. Dus ik ga eerste auto rijden. Dat is zoveel als dat ge met twee renners meer mag starten in de ploeg.”

Hij houdt niet van die “zeververhalen” over vroeger. Hij staat nog midden in de sport. Dan kun je niet zeggen dat het wielrennen in die voorbije dagen zoveel grootser, mooier, beter was. Maar anders, mijmert hij, “anders was het wel”.

“Vroeger zou het nooit bestaan hebben dat een Jacky Durand de Ronde van Vlaanderen had gewonnen”, zoals vorig jaar gebeurde. “Nooit of nooit.” In zijn dagen kende het peloton nog een strakke hierarchie. Elke ploeg had één kopman en alleen de kopmannen wonnen. Knechten deden in de schaduw hun ondankbare werk.

“Daardoor had ge ook steeds dezelfde renners in de finale: een Merckx, een Godefroot, een Frans Verbeeck. Wij hadden niet de kans, want wij moesten op kop rijden, ons wiel afstaan. En als de finale begon, hadden wij ons te pletter gereden. Dan maakte de kopman het af.”

“Dat is veranderd met de sponsors die er het grote geld insteken. In mijn tijd mocht ge nog een hele goeie ploeg maken voor 10 à 15 miljoen Belgische francs. Nu kost een ploeg van hetzelfde kaliber al 100 tot 120 miljoen francs. Daardoor is de druk om in de publiciteit te komen vele malen groter geworden. Gelijk met welke renner, als de naam van de ploeg maar in beeld verschijnt.”

“Nu hebt ge meer afwisseling van kanshebbers en van winnaars. Er zijn misschien drie man in een ploeg van acht die de Ronde van Vlaanderen nooit kunnen winnen. Maar al de rest heeft de macht om zo'n wedstrijd naar zich toe te trekken. Dus probeert ge er maar het beste van te maken. Pas in de wedstrijd ziet ge wie de beste benen heeft.”

“Of dat goed is voor de wielersport? Iedere organisator heeft natuurlijk liever een grote renner op zijn erelijst. De organisatoren van de Ronde van Vlaanderen zijn er zeker en vast niet blij mee dat een Durand vorig jaar heeft gewonnen, zeker als ge ziet dat hij er daarna echt niets meer van gebakken heeft. Ik denk ook dat de mensen voor de televisie vorig jaar zaten te hopen dat Durand nog zou worden bijgehaald door Fondriest en Van Hooydonck. Want ook de mensen willen grote winnaars. Daar ben ik zeker van.”

Maar tegenwoordig kan elke renner zich een winnaar wanen. En ze willen allemaal hun eigen plan trekken. Ze weten niet meer wat gehoorzamen is. Dus moet je als ploegleiding “keihard” en “streng” zijn. “Voor hun eigen goed.”

“De renners moeten weten waar ze aan toe zijn. Dat is belangrijk om direct tot een geheel te komen. Want als ge er twee hebt die niet willen luisteren, dan gaat uw ganse ploeg naar de knoppen. Ik heb het al meegemaakt met renners, die de bevelen die ze kregen aan hun laars lapten en gewoon hun eigen zin deden. Renners met grote faam. Nee, namen noem ik niet. Ik heb ze hun koffers laten pakken. Ik heb ze naar huis gestuurd.”

“Dan leren ze dat ze zich aan hun opdracht moeten houden. Want als ge in de fabriek gaat werken, wat ik tot mijn 21ste jaar heb gedaan, dan kunt ge ook niet zeggen: dat doe ik niet. Dan word ge aan de dijk gezet. Het zijn meestal de egoïsten, de grote bekken in de ploeg, die het meeste willen verzorgd zijn en die geen uitslag maken. Met dezulken maakt ge geen ploeg.”

Die normvervaging in het peloton, die opstandigheid en anarchie, ze zijn in de hand gewerkt door de bloei van de wielersport, meent Planckaert. Vroeger waren er niet zoveel ploegen. “Iedereen had nog angst te worden buitengesmeten. Maar nu durven ze zeggen: "als ge mij ontslag geeft, ga ik volgend jaar wel naar een andere ploeg'. Dat maakt het moeilijk discipline te bewaren. Daarom is het wel goed dat het aantal ploegen de laatste twee jaar vermindert. Dat leert de renners weer luisteren. Ze hebben geen keus.”

Misschien leren ze dan ook weer “om diep te gaan, heel diep. Zodat het zwart voor hun ogen ziet.” Want tegenwoordig zijn ze zo voorzichtig. Dat is ook de schuld van “die computerkes op de fietsen”. Die renners trekken de sprint aan, het hart bonkt hun in hun lichaam, en dan kijken ze op de fietscomputer: een polsslag van 180. Daar durven ze niet meer boven te gaan.

Terwijl: “Als ge sprint, let ge toch niet op uw polsslag. Dat spandoek moet als een rode vod voor de stier zijn, valpartij of geen valpartij, wind of geen wind. Ik heb wel sprinten aangetrokken dat mijn hartslag misschien 220 was, maar ik gaf daar geen acht op. Want ge wist het niet. En gedaan was gedaan.”

Bijna had de sanering in het wielrennen ook de Post-ploeg geveld. Panasonic haakte af als sponsor. Na de Ronde van Frankrijk had zich nog steeds geen nieuwe financier gemeld. Het was dat renners als Fondriest en Ludwig zelf aanboden nog met een overstap naar een andere ploeg te wachten. Maar toen uiteindelijk in Histor-Laser half augustus toch weer een sponsor werd gevonden, hadden Fondriest en Ludwig al mogen vertrekken. “Met pijn in het hart en tranen in de ogen.”

“Walter Planckaert heeft van mij een echte coureur gemaakt”, zei Fondriest nadat hij vorige maand Milaan-Sanremo had gewonnen. En Planckaert kan hem “daarin alleen maar gelijk geven”. “Want hij was natuurlijk altijd al een steengoede renner. Maar er kwam niet uit, wat erin zat. Hij was in Italië te veel verwend geraakt. Hij was gewoon dat alles voor hem gedaan werd, dat hij alles toegestaan kreeg. Was het te koud, dan moest hij niet rijden. Van de finish naar het hotel moest hij in de auto gaan.”

“Hij had ook een veel te goed karakter. Moest ik een vrouw zijn, had ik er misschien verliefd op geworden. Zo'n lieve jongen. Maar hij liet veel te rap zijn oorkes hangen. Hij kon niemand pijn doen. Voor een renner die in zijn wiel zat af te zien, ging hij gewoon opzij, om hem uit de wind te zetten. Iemand een kwakske geven in de sprint, dat deed hij niet.”

“Nu heeft hij ervan genoten dat hij op de Poggio di Sanremo iedereen kon afmaken. Ik heb hem kunnen uitleggen dat ge moet durven vechten als een krijger, ook als we daar soms bijna ruzie over hadden. Maar hij heeft dat dan toch goed begrepen. De zondagmorgen na die zege belde hij mij op en hij zei: "Walter, ik heb aan u gedacht de laatste honderd meter van Milaan-Sanremo. Ik vond het zo spijtig dat ik die overwinning niet aan u kon geven. Het is uw werk.' Ik ben niet zo uitbundig. Maar die morgen heb ik geweend.”

“Met beperkte middelen hebben we toch weer een aardige ploeg gebouwd”, zegt Planckaert. Mottet, Pensec en Cornillet werden aangetrokken om Eddy Bouwmans in de Tour de France te kunnen bijstaan in de bergen. Zo vroeg in het seizoen heeft de ploeg toch alweer negen zeges geboekt, waaronder die van Charly Mottet in de Ronde van de Middellandse Zee. Puur pech dat Mottet zijn heup gebroken heeft. Afgelopen maandag is hij geopereerd en volgens plan zal hij in mei weer rijden. Lukt dat niet, dan zal hij er ook in de Tour niet bij kunnen zijn.

Tegenslagen horen bij het wielrennen als de kasseien bij de Ronde van Vlaanderen. En wie daar niet tegen kan, die hoort in de wielersport niet thuis, meent Planckaert. “Ge moet toch altijd weer verder. Moest ik stoppen met dit vak, kon ik de Ronde van Vlaanderen niet meer zien, ik weet zeker dat ik kapot zou gaan.”