Lente!

Twee maal per jaar krijgen de meeste stukjesschrijvers zin, een stukje over de natuur te schrijven. Het hoort tot de cyclus waarvan men zich niet bewust is; het uitbotten en inpoppen. Je denkt dat het toeval is, je laat jezelf in de waan maar in werkelijkheid zit je op de onverbiddelijk lopende band der seizoenen. Als jongen had ik een vriendje dat wist dat het lente was als hij een kuil ging graven - ja, moest graven; er was geen ontkomen aan.

Mijn pseudotoeval - denk niet dat ik een simulant ben - werd veroorzaakt door een reiger die op de vroege aprilmorgen laag over het water vloog. We hebben een saaie winter achter de rug, grijze maanden zonder meteorologische verrassingen, sneeuwjachten, stormen, zondvloedregens. Reigers had ik al maanden niet gezien, d.w.z. de stadsreigers die 's zomers wijs en geduldig naast de hengelaars staan. Waar waren ze gebleven? Waarschijnlijk op het platteland en daar kom ik nooit. Deze grote, traag wiekende vogel met zijn verstandige ogen en zijn fabuleuze snavel en zijn hals waarin een katapult-achtig mechanisme verborgen is, de Rolls Royce onder de inheemsen, liet weten dat het voorjaar was begonnen en dat daar melding van moest worden gemaakt. Maar hoe?

Dat is het merkwaardige met de natuur: ze is rijk maar als je eraan begint verval je vlug tot sjablonen. Ik vind het een zegen op de televisie een natuurfilm te zien, het familieleven van de stekelbaars, hoe het visje een vlieg uit de lucht spuugt - probeer dat zelf eens - of de reclame van de KLM, de landende of opstijgende zwaan, maar het is een schouwspel dat niet wordt verhelderd, laat staan verbeterd als je het beschrijft. Het blijft bij bewondering of desnoods geluk, en als de schrijver dit gevoel in woorden omzet, drukt hij zich met z'n neus op zijn machteloosheid. Of om een waardering van andere orde te noemen: een van de beste eigenschappen van dieren is dat ze alleen functioneel geluid en lawaai maken. Hier zien we een fundamentele tegenstelling tussen een natuurfilm en het gemiddelde pretprogramma. Maar alweer: de vaststelling volstaat. Zo kan een stemming in haar tegendeel verkeren. Het is lente, eindelijk, maar als we onze tevredenheid daarover op schrift willen stellen worden we weer treurig van ons gebrek aan woorden.

Laten we voor de verandering eens kijken naar de natuur laag bij en onder de grond. Weet u wat een veenmol is? Een jaar of veertig geleden heb ik mijn eerste en enige veenmol gevangen, in een jampot bestudeerd en na een poosje gedentificeerd. De veenmol is een van de grootste insecten van ons land, schadelijk en vraatzuchtig. Die van mij schat ik in m'n geheugen op een centimeter of tien. Veenmollen voeden zich met wortels van jonge en oude planten en regenwormen, die ze "vreten'. Na de paring in juni of juli graaft het wijfje een spiraalvormige gang en legt aan het einde daarvan een nestholte aan ter grootte van een kippeëi. Dat wist ik nog niet toen ik mijn veenmol ving; ik heb het nu pas opgezocht. Antonie van Leeuwenhoek ontdekte het bestaan van God in de anatomie van een luis. Ik kan het me voorstellen. Heeft Van Leeuwenhoek bij die gelegenheid ook gewezen op de krankzinnige willekeur waarmee we flora en fauna hebben geordend met behulp van waardeoordelen? Nuttig of schadelijk, eten of vreten. Ik zou zo tien mensen kunnen opnoemen die ik alleen heb zien vreten.

Ik las dus over de veenmol, ontdekte het woord rijpingsvraat (het vreten aan veldvruchten door vrouwelijke kevers gedurende de periode tussen het ontpoppen en het eieren leggen) en zo werd ik ook weer nieuwsgierig naar de meikever en haar larf, de engerling, die drie tot vier jaar onder de grond leeft. De engerling maakt zich schuldig aan vreterij. Als ik George Orwell was geweest zou ik, met deze wetenschap gewapend, Animal Fram misschien nog hebben herschreven.

Van de natuur was ik intussen spelenderwijs in de encyclopedie terecht gekomen, ik volgde verwijzing na verwijzing, hoe langer hoe meer verlangend naar een behoorlijke afbeelding van de dieren die ik hierboven heb genoemd, maar ik trof alleen kleurenfoto's met slecht contrast en vage contouren. Niet goed. Eigenlijk willen we - althans wil ik - ieder dier zoveel mogelijk verpersoonlijkt zien, natuurlijk zonder dat daardoor de wetenschap geweld wordt aangedaan, maar binnen deze verantwoordelijkheid zo herkenbaar mogelijk. Dus: niet de foto maar het portret, het staatsieportret van veenmol, meikever en engerling, de afbeelding waarin alle wezenskenmerken van de geportretteerde zijn verzameld zoals dat ook bij het staatsieportret van mensen het geval is. Dat is niet mogelijk op een foto waarop we het insect "in de natuur' zien.

In oudere boeken, werken met een wetenschappelijke pretentie, stonden de dieren persoonlijker in hun afbeeldingen, in situaties die misschien in de natuur niet voorkwamen maar wel zodanig dat je bij wijze van spreken de haren op hun poten kon tellen. De trotse meikever met haar engerlingen voor haar zelf gegraven spiraalgang, waarbij dan nog een dwarsdoorsnee van de bodem met gang en het nest ter grootte van een kippeëi in het plaatje was verwerkt.

Ik wil er dit mee zeggen: liefde voor de natuur gaat gepaard met een fascinering voor het andere, het hoogst merkwaardige. Zo zijn de Renaissance en de Verlichting begonnen. Het andere komt op kleurenfoto's in een encyclopedie nooit goed tot zijn recht. Daarom moeten we terug naar de gravure en de tekening. Het is wel langs een omweg, maar ik weet wel zeker dat we dan nog meer plezier in het voorjaar zullen hebben.