Kruistocht tegen de hedendaagse kille architectuur

Places for the Soul: the architecture of Christopher Alexander, Kunstkanaal, 4 april in Amsterdam en Hilversum; 11 april Gelderland-Utrecht; 12 april Den Haag, 18 april Rotterdam.

De architect Christopher Alexander (1936) is een kruisvaarder. Al ruim een kwart eeuw trekt hij ten strijde tegen de verbanning van emotie en intuïtie uit de hedendaagse architectuur. In de half uur durende film "Places of the Soul' die Ruth Landy in 1990 over hem maakte, zegt hij: “Sinds zestig, zeventig jaar zit de bouwkunst gevangen in onoprechte beelden. Zij hebben als doel het vernietigen van emotie.”

Alexanders toorn treft niet alleen de kille, anonieme blokkendoos, maar ook het in historiserende schattigheid ontaardde antwoord daarop van het postmodernisme. We kunnen veel meer leren, vindt hij, van zogenaamde primitieve volkeren: hun architectuur komt vanzelfsprekende, en dus harmonische wijze uit hun cultuur voort. “Een gebouw wordt bepaald door de manier waarom mensen leven en wonen” - en dus niet door een beeld in het hoofd van de architect. Logisch dat Alexander zijn gebouwen niet eerst op papier uittekent, maar liever, zoals bij een school buiten Tokio, de omtrekken van de gebouwen "tekent' met bamboestokken tussen de theestruiken.

Christopher Alexander doceert, bouwt en schrijft. In 1967 richtte hij het Center for Environmental Studies in het Californische Berkeley; in 1970 werd hij hoogleraar aan de universiteit daar. Een van zijn bekendste boeken is A Pattern Language (1977), een boek dat hem bovengenoemde opdracht bezorgde voor een school buiten Tokio, de grootste houten structuur die sinds de oorlog in Japan is gebouwd. Landy's film - informatief en sympathiek, op het irritante heilige toontje van het commentaar na - laat Alexander aan het werk zien aan twee typerende opdrachten, deze school en een tehuis voor daklozen in Californië. Openhartig vertelt de directeur van het tehuis, dat de samenwerking weliswaar inspirerend, maar ook bijna tot een faillis

sement leidde. Bovendien duurde de bouw zo lang, dat de daklozen een deel van de winter nog buiten moesten blijven. Toch begrijp je aan het einde van de film waar deze gedrevenheid uit voortkomt. Zoals Alexander zelf zegt: “Grootse architectuur wordt gekenmerkt door een gebrek aan zelf-importantie.”