Huisarts is ook ondernemer

Niet bekend

Mijn hoop, dat ik tijdens de beroepsopleiding tot huisarts hierover wat meer te weten zou komen, was voorbarig. Twee keer werd er voorlichting gegeven over de financiële kanten van de praktijkoverdracht en bij die gelegenheden werden zulke astronomische bedragen voorgeschoteld, dat ik in mijn beleving niet verder kwam dan associaties met hoofdprijzen van Duitse loterijen. Zelfs de vraag, hoe het geleende geld ooit terugbetaald moest worden, kwam toen niet in mij op.

Dat veranderde van de ene op de andere dag, toen ik een half miljoen gulden moest neertellen voor een pand en een praktijk. In een droom heb ik die vijfhonderdduizend gulden wel eens op een hoop zien liggen, maar daar is het bij gebleven. Wanneer ik patiënten behandel, probeer ik niet aan geld te denken, maar er zijn perioden, waarin ik na elke werkdag het aantal particuliere consulten en visites tel. Bij grote drukte klaag ik over het gebrek aan tijd voor mezelf; wanneer het rustig in de praktijk is, bekruipt me de angst, dat ik "onder de tien particulieren per dag' blijf en te weinig geld verdien om de bank het geleende geld en de rente terug te betalen.

Over geld wordt niet gesproken, niet tussen arts en patiënt en evenmin tussen huisartsen onderling. Ooit heb ik in de waarneemgroep heel voorzichtig het probleem van de "wanbetalers' aangeroerd; één collega had patiënten in zijn praktijk, die jarenlang geen rekening hadden betaald en toch zonder enige schroom een beroep op hem bleven doen. Op mijn vraag, waarom hij niets aan deze situatie veranderde, haalde hij zijn schouders op; wàt zou hij er aan kunnen doen? Mijn accountant maakt er weinig woorden aan vuil: “een patiënt die niet betaalt, moet je de praktijk uitzetten”. Ik heb deze drastische maatregel nooit durven te nemen - het woord "honorarium' heeft nog altijd iets met "eer' te maken - en ik vind het al heel wat, dat een bevriende advocaat tweemaandelijks een boze brief naar de wanbetalers schrijft.

Men zegt altijd dat een huisarts de patiënten krijgt die hij verdient. Het omgekeerde is niet minder waar: een huisarts verdient aan de patiënten die hij heeft. Als huisarts ben ik medicus en ondernemer. Na al die jaren ben ik er nog steeds niet in geslaagd om die twee wezenlijke aspecten van mijn dagelijkse werk met elkaar in overeenstemming te brengen. Ik betwijfel of dat überhaupt mogelijk is zonder het geweten een schijnoplossing voor ogen te houden. In een huisartspraktijk spitst het probleem zich toe op de particulier verzekerde patiënt. Zo af en toe word ik gebeld door patiënten, die een klaagzang over wat men allemaal mankeert afronden met de opmerking “en ik ben particulier”. Hoe graag zou ik dan willen reageren met de woorden “maakt u zich maar geen zorgen, want dat is niet besmettelijk”. Voor een medicus mag het immers niets uitmaken, hoe een patiënt verzekerd is. Maar als ondernemer gooi je met zo'n reactie je eigen ruiten in. Dus erger ik mij als arts, maar zwijg als ondernemer. Een middenweg is niet mogelijk.

Patiënten, die zich er ècht op laten voorstaan, dat ze particulier verzekerd zijn, zijn allang uit mijn praktijk verdwenen. Ik heb geen speciaal spreekuur voor particulieren en patiënten, die menen dat ze op elk gewenst moment overdag of 's avonds bij mij terecht kunnen, omdat ze particulier verzekerd zijn, vergissen zich. De vanzelfsprekendheid, waarmee sommige particulieren menen, dat ze bevoorrecht moeten worden, stuit me tegen de borst. Tòch kan ik het hen niet helemaal kwalijk nemen, zolang er secretaresses van specialisten zijn, die met het oog op de wachttijd als eerste vraag aan patiënten stellen, hoe men verzekerd is.

Net als de gemiddelde huisarts zal de gemiddelde particulier niet graag tijdens een consult of een visite over geld gaan praten. Maar beiden denken er wèl aan. Sommige particulier verzekerde patiënten winden er geen doekjes om: het geld moet ècht verdiend worden. Wanneer een dokter bij een klacht als keelpijn of een blaasontsteking al na vier of vijf minuten de diagnose heeft gesteld en het recept heeft uitgeschreven, wil deze categorie, dat je nog even de longen en het hart beluistert, de reismedicatie aanvult en op de valreep de bloeddruk opmeet. Wanneer ik hierna nog wordt opgezadeld met de kwaaltjes van de andere gezinsleden, declareer ik "een dubbelconsult' en wee de patiënt, die na ontvangst van de rekening boos de assistente opbelt en durft te beweren, dat men “nauwelijks drie minuten in de spreekkamer was”.

Twee of drie jaar na mijn vestiging hoorde ik een huisarts over "mijn kruidenierswinkeltje' praten. Die vergelijking trof mij heel pijnlijk, omdat hierdoor in meer dan één opzicht de huisarts wordt getypeerd. Het beeld is mij bijgebleven en in sombere buien beschouw ik mijzelf als een "veredelde drogist'. Hoe graag zou ik dan één van die astronomische bedragen willen winnen in de Duitse loterij om de rest van mijn leven ècht arts te mogen zijn. Helaas viel ik tot nu toe altijd buiten de grote prijzen. Mijn accountant hamert er jaarlijks op, dat ik nog lang en hard zal moeten blijven werken, voordat de half miljoen is terugbetaald en dit keer ontkom ik niet aan zijn goede raad.

Tòch mag ik niet te somber zijn. Regelmatig krijg ik wel degelijk de gelegenheid om louter als medicus de patiënten tegemoet te treden zonder aan klantenbinding te hoeven doen. Dan gaat het om mensen uit andere praktijken, die ik tijdens de dienst zie. Veel artsen beschouwen deze contacten als een vervelende belasting, maar juist dan kun je bij jezelf nagaan, "hoeveel medicus je nog als huisarts bent'.

In mijn praktijk staat een geldkistje. Daar zitten nooit grote bedragen in, want de meeste particulieren betalen via de bank of de giro. Een huisarts zal zo nooit een aantrekkelijk slachtoffer voor overvallers worden. Commentaar van patiënten op de hoogte van het gedeclareerde bedrag wordt heel discreet op het giroformulier vermeldt. Slechts een enkeling betaalt de rekening contant zoals de man, die er een onbegrijpelijk genoegen in had om jarenlang louter met gloednieuwe briefjes van tien gulden voor de dag te komen met een Mekka of Mars als fooi voor de dokter en een reep chocola als fooi voor de assistente. Zijn leven lang was hij gefixeerd op geld en wanneer ik hem het spreekwoord voorhield, dat “geld niet gelukkig maakt”, was zijn commentaar steevast “geld maakt inderdaad niet gelukkig maar het lijden wel wat draaglijker”.