HET WORDT PAS LEUK ALS HET GEZELLIG IS

Parade der passanten. De stad, het vertier en de terrassen door Jan Oosterman 302 blz., Jan van Arkel, f 35,- ISBN 90 6224 296 0

Zelf kan ik nog steeds niet onbesmuikt en zonder mijn zonnebril met spiegelende glazen plaats nemen op een Nederlands terras. Tussen al die vrolijke mensen die intens genieten van hun conspicuous consumption voel ik mij vervreemd en nutteloos. Het is een sociale handicap die veel stil leed veroorzaakt en misschien iets te maken heeft met te veel protestantse ethiek of met een tekort aan grootstedelijke Selbstdarstellung.

Het meest bang ben ik echter slachtoffer te worden van een wetenschapper die als observerend participant verscholen achter milkshake de terraszitter als maatschappelijk verschijnsel in kaart brengt. Die angst is, zo blijkt nu, gerechtvaardigd geweest. Gezien de expansie van het vaderlandse horeca-terras moest het er een keer van komen; en het is ervan gekomen.

Heden verscheen onder de titel Parade der passanten het proefschrift van de stadssocioloog Jan Oosterman waarin hij terrasbezoekers en hun bezigheden plaatst in de context van het hedendaags gebruik van openbare ruimte. Zijn studie concentreert zich op de ontwikkeling van het vermaak in Nederlandse stadscentra in het algemeen en de "terrassenexplosie' in de Utrechtse binnenstad in het bijzonder.

Het is nog erger dan ik dacht! De groei van het aantal vierkante meters terrasoppervlakte in de Utrechtse binnenstad is de afgelopen twintig jaar vervijfvoudigd. Het aantal terrasvergunningen is in dertig jaar verdrieëntwintigvoudigd. Het aantal uren dat jongeren tussen de 18 en 24 jaar in horecagelegenheden doorbrengen, is de afgelopen tien jaar verdubbeld. En uit het onderzoek van Oosterman blijkt dat 81 procent van de terraszitters als reden voor hun aanwezigheid opgeeft dat het gaat om ""de sfeer, gewoon het gevoel om lekker buiten te zitten''. Want, aldus een van de meest snerpende conclusies van dit boek: ""Terraszitten wordt pas leuk als het gezellig is.''

Oosterman blijkt een en ander van harte toe te juichen. Terrassen intensiveren en activeren volgens hem het sociale "gehalte' van een openbare ruimte: ""Elke dag opnieuw komen de terrasbezoekers om er te genieten van het leven op straat en ook van elkaar. Met elkaar creëren zij een vermakelijke openbare sfeer, waar wordt gekeken en sfeer geproefd.''

KLASSIEKERS

Het leven is een schouwtoneel, en op het terras heeft men de beste zitplaatsen, wil Oosterbaan maar zeggen. Alvorens tot deze slotsom te geraken, wordt de lezer gevoerd langs enkele sociaal-wetenschappelijke theorieën over openbare ruimte en het gedrag van mensen daarin.

Zoals The Theory of the Leisure Class van Thorstein Veblen, die als eerste een essay wijdde aan de opkomst onder de grootstedelijke burgerij van het openbare gepronk met ledigheid. Ook Strukturwandel der Öffentlichkeit uit 1962 van Jürgen Habermas, waarin burgerlijke openbaarheid wordt beschreven als de cruciale voorwaarde voor vrijheid en emancipatie, flitst even langs. Net als The Fall of Public Man uit 1977 van Richard Sennett, die blootlegde hoe de openbare menselijke interactie in onze tijd steeds minder langs formele patronen verloopt, maar meer en meer in het domein van de persoonlijke emoties verzeilt; een ""intimisering van de openbaarheid'' die hij niet toejuichte.

Natuurlijk zijn er ook verwijzingen naar De dramaturgie van het dagelijks leven (1959) en Behavior in Public Places (1963) van Erving Goffman. In deze werken wordt ontrafeld hoe het leven in openbare ruimtes is gecodeerd volgens de maatstaf van "beleefde onoplettendheid': op straat, en in bussen, musea en wachtkamers geeft men net voldoende aandacht aan anderen om die erop te attenderen dat men elkaar gezien heeft, zonder dat met al te langdurige blikken impertinente nieuwgierigheid wordt getoond.

Oosterman is het eigenlijk met deze gezichtspunten niet zo eens, geloof ik. Het gaat hem meer om de indivduele beleving van het terraszitten. Misschien dat hij daarom met een ontwapenend ongeduld zo'n beetje zappend door de literatuur trekt, en bijna elke vijftien seconden overschakelt naar een volgende klassieke studie. Zo ontstaan er constateringen als: ""De burgerlijke moraal bleek zich uitstekend te verhouden met de handelsgeest (Weber, 1921) waaruit zich een kapitalistische economie kon ontwikkelen (Braudel, 1987).'' Zelden zullen bijna duizend pagina's wetenschap adequater zijn samengevat.

OPEN RIOOL

Kern van dit werk is het empirisch onderzoek naar de opmars van het terrassenvermaak in de binnenstad van Utrecht. Die opmars is sinds de jaren zestig spectaculair geweest, vooral op de werven langs de Oude Gracht. In enkele decennia is een letterlijk stinkend open riool omgevormd tot een bruisende terrassen-zône van bijna 3000 vierkante meter. Overigens komt Utrecht met 75 inwoners per terrasstoel nog steeds niet in de buurt van Maastricht dat met 35 inwoners per stoel de Nederlandse kroon spant.

De ontwikkeling in Utrecht past, zo beklemtoont Oosterman, naadloos in de ontwikkeling van de stad als produktie- naar consumptiecentrum, en in de sterk veranderde kijk op "leefbaarheid' als urbane functie. Ondertussen hebben zich in Utrecht wild-west taferelen afgespeeld waarbij terrasrechten onderhands weren verhandeld voor tienduizenden guldens, gemeentelijke regels door uitbaters lachend terzijde werden geschoven en in het algemeen de horeca een macht is gaan vormen die op het Stadhuis veel gewicht in de schaal legt. In de Domstad doen de wildste verhalen over de "horeca-mafia' de ronde, uiteenlopend van eclatante kartelvorming tot betrokkenheid bij de georganiseerde misdaad, maar of die voortkomen uit op hol geslagen geruchten is volstrekt onduidelijk.

Oosterman besteedt er terecht geen aandacht aan. Wel beschrijft hij enkele problemen die de oprukkende terrassen veroorzaken. Maar dat doet hij op zo'n opgewekte manier dat brallende, urinerende en zich te pletter zuipende studenten als vanzelf verdwijnen achter ""het stukje Utrecht-promotie'' zoals de gemeente haar terrassenbeleid noemt. Die opgewektheid loopt als een rode draad door Parade der passanten. Dat maakt het lezen tot een zonderlinge ervaring: als wetenschappelijke studie heeft dit boek volgens mij de diepgang van een halfleeggedronken bierglas, maar omdat het enthousiast, goed en soepel is geschreven, stoort dat eigenlijk nauwelijks.