EEN DOORTASTENDE POTTENBAKKER

Josiah Wedgwood 1730-1795 door Robin Reilly 412 blz., Macmillan 1992, f 65,50 ISBN 0 333 51041 0

Josiah Wedgwood (1730-1795) lijkt in de biografie door Robin Reilly wel een twintigste-eeuwer. Het had duidelijker kunnen worden in welke opzichten hij een voorvader van ons was als Reilly meer aan karakterbeschrijving had gedaan, maar het boek gaat voornamelijk over de technicus en de koopman. Wedgwood komt naar voren als een gangmaker van de consumptiemaatschappij waarin wij leven. Hij was aan het inspelen op de markt, met een goed gevolg dat al tweehonderd jaar nawerkt. Een behoorlijk aantal van de ontwerpen uit zijn tijd verkoopt nog altijd.

Wedgwood was het dertiende kind in een pottenbakkersgezin in het gebied dat bekend staat als de Potteries, bij Stoke in Staffordshire. Zijn vader stierf vroeg en op zijn veertiende begon Josiah te werken als leerling bij zijn broer, en in 1759 voor zichzelf. In dertig jaar heeft hij toen een bedrijf opgebouwd dat is blijven bloeien na zijn dood, hoewel een aantal generaties Wedgwood die in de negentiende eeuw aan het hoofd stonden er weinig plezier in had. Pas in 1930 kwam er nieuw leven, dank zij de vijfde drager van de naam Josiah.

De grondlegger van het Wedgwood-bedrijf schreef in een brief: ""Fashion is infinitely superior to merit in many respects.'' Door die gedachte liet hij zich leiden, zowel wanneer hij de ontwikkeling van de smaak van het kapitaalkrachtige publiek in het oog hield als wanneer hij zijn publiciteit behartigde door dure maar weinig winstgevende serviezen te verkopen aan het Engelse en aan het Russische hof. Josiah Wedgwood was de eerste serviezenmaker die een eigen showroom opende in Londen om de kooplust aan te moedigen van de gegoede middenstand, een groeiende marktsector naast de artistocratie. Aan klanten beneden de gegoede middenstand had hij weinig, want goedkoop was hij nooit.

Wedgwood was geen kunstenaar, geen ontwerper. De decoratie van zijn serviezen en vazen kwam van klassieke voorbeelden en anders van ontwerpers die in zijn dienst werkten. Zijn eigen bijdrage in de fabriek lag op het vlak van de techniek, en daarin was hij onuitputtelijk, onder de zinspreuk ""Everything gives way to experiment''. Hij vond nieuwe samenstellingen van klei voor borden en vazen, voor versieringen in contrasterende kleuren op donkere ondergronden, en hij realiseerde grote keramische bladen toen George Stubbs, de paardenschilder, zich in het hoofd gezet had dat hij daar bijzonder werk op zou kunnen doen. Hij was misschien lid en in ieder geval vriend van verscheidene leden van de Lunar Society van Birmingham, een kring van intellectuelen, uitvinders en onderzoekers. In 1783 werd hij lid van de Royal Society.

VINDINGRIJK

Ook in zijn sociale ideeën was Wedgwood bijna twintigste-eeuws. Hij verbeterde de huisvesting voor zijn werknemers, hij zag kans om in grote mate hun werkgelegenheid te garanderen en hij voerde een begin van ziektekostenverzekering in. De beweging voor afschaffing van de slavernij werd door hem gesteund, en hij was een voorstander van algemeen kiesrecht, honderd jaar te vroeg.

Wedgwood was een vindingrijke en doortastende man. Het zou de moeite waard zijn om zijn persoonlijkheid nader te onderzoeken en er is genoeg materiaal voorhanden waarin hij zich laat kennen. Een tijd lang schreef hij bijna dagelijks brieven aan zijn vriend en compagnon Thomas Bentley die de Londense tak van de firma beheerde. Van die correspondentie is veel over, en er zijn kleinere pakketten brieven aan allerlei anderen.

Een van de ervaringen waarover wij meer zouden kunnen horen, is het afzetten in 1768 van zijn rechterbeen, dat in zijn jeugd verzwakt was door de pokken en later "overworked' geraakt. Er traden geen complicaties op en hij hervatte na drie weken zijn bezigheden. Hij was geen man die zich door zijn conditie liet afleiden van zijn werk, ook niet tien jaar later toen hij vlekjes in zijn ogen zag en van de artsen vernam dat die op blindheid konden uitlopen. Zelfs zo iemand moet toch van het verlies van een been meer ondervinden dan alleen ergernis over twintig verloren werkdagen, maar bij Reilly wordt het onderwerp in een pagina afgehandeld, en verder horen wij er niets over.

Wat er in Wedgwoods gedachten omging, blijft meestal voor de lezer verborgen. Ook heb ik geen antwoord gevonden op de vraag wat er zo innemend aan hem was dat hij zonder ooit tijd voor gezelligheid te hebben bevriend bleef zowel met de intellectuelen van Birmingham als met de Londense aristocraten die reclame voor hem maakten.

DONDERWOLK

Wel is er in dit boek iets te zien van zijn gezinsleven. Wedgwood was op zijn vierendertigste getrouwd met zijn achternicht Sarah, die een krachtige persoonlijkheid en een fortuin meebracht. Het geld was een onmisbare steun voor hem bij de opbouw van zijn bedrijf; de persoonlijkheid misschien ook, hoewel hij daar van tijd tot tijd tegen protesteerde (""O Fye Sally Fye, wilt thou never mend?''). Sarah overleefde hem twintig jaar, gekweld door reumatiek, met een humeur als een donderwolk, en stierf in 1815.

Haar echtgenoot had in 1790, toen hij zestig was, besloten het rustiger aan te doen, en gedacht het bedrijf aan de zorgen van zijn drie zoons toe te vertrouwen. Dat viel niet mee. De oudste zoon John wilde heer en parlementslid zijn en wenste alleen de allerbeste klanten wel eens ontvangen in de Londense showroom, ""want ik ben te lang gewend geweest mijzelf te zien als de gelijke van iedereen om de arrogante manieren te verduren van mensen die in de winkel komen''. Ook Tom, de jongste, had er geen zin in. Hij was depressief en intellectueel: ""The Business of Education is to teach the mind to think''; hij raakte aan de opium waar hij op doktersvoorschrift mee begonnen was en stierf op zijn vierendertigste. Alleen de middelste zoon Josiah maakte er iets van: hij begon de lange Wedgwood-traditie van directeurschap omdat iemand het moest doen.

Van de vier dochters heeft alleen de oudste, Susannah, een duidelijk beeld nagelaten. Zij was de lieveling van haar vader, had de lastige persoonlijkheid van haar moeder en trouwde met een zoon van de arts-dichter Erasmus Darwin, een van de "Lunatics' van Birmingham en een vriend van haar vader. Een van haar zonen was geen ander dan Charles, van The Origin of Species.

Het is een niet in veel opzichten verblijdende maar gevarieerde en leerzame familiegeschiedenis. Los daarvan is de reputatie van het familieprodukt in ongestoorde waardigheid blijven voortleven. De naamgever is minder bekend, maar een inspirerende figuur om over te lezen, met al de antwoorden die hij vond op de opgaven die hij zichzelf stelde. ""Eighteenth-century England had few men of finer quality,'' heeft J. H. Plumb, de grootste Engelse kenner van die eeuw, over hem geschreven. Robin Reilly, die zelf bij Wedgwood gewerkt heeft totdat hij zich dertig jaar geleden terugtrok in het schrijverschap, weet meer te vertellen over de fabricage en de verkoop dan over de man, maar ook bij hem wordt begrijpelijk wat Plumb bedoelde.