EEN DIERBARE MAAR WEERLOZE GODSDIENST; De ondergang van het Engelse katholicisme

The Stripping of the Altars. Traditional Religion in England, c. 1400 - c. 1580 door Eamon Duffy 654 blz., geïll., Yale University Press 1992, f 85,05 ISBN 0 300 05342 8

Doorgaans neemt men wat godsdienstige hervormers over zichzelf en hun werk zeggen veel te serieus. Of ze een bestaande kerk nu volledig veranderen of met haar breken en voor zichzelf beginnen, altijd stellen ze het voor als een terugkeer naar vroegere tijden. Altijd beschrijven ze hun eigen tijd in schrille kleuren als een periode vol diep religieus en moreel verval. En hun succes vormt voor de geschiedschrijvers een reden hun diagnose te volgen. Maar het is niet waar.

Het jodendom was geen gefossiliseerd ritualisme toen het christendom ontstond, en het heidendom verkeerde niet in een staat van crisis toen de Romeinse keizers het verlieten en het christendom tot staatsgodsdienst maakten. De orthodoxie waar de piëtisten zo op scholden was helemaal niet dood en het verlichtingschristendom waar de opwekkingsbewegingen zich tegen keerden, bezat een warme vroomheid en een eigen maatschappelijk programma.

Boeken die gewijd zijn aan zulke herwaarderingen van door religieuze vernieuwers veroordeelde perioden vormen inmiddels bijna een eigen historisch genre. Daartoe behoort ook Eamon Duffy's The Stripping of the Altars. Hij beschrijft de godsdienst in het Engeland van de vijftiende eeuw en de vernietiging daarvan door de Reformatie. Nu bestaan er over geen periode in de geschiedenis van het christendom zulke ingeslepen vooroordelen als over de late Middeleeuwen. Protestanten hebben die eeuwen altijd afgeschilderd als een tijd van volledig verval, waarin alleen op eigen winst en lust bedachte geestelijken het bijgeloof van het volk exploiteerden. De meeste recente versie van deze interpretatie - methodisch vergaand opgepoetst en ook door sommige katholieke historici gedeeld - luidt dat in de Middeleeuwen buiten de geestelijkheid slechts een kleine elite werkelijk christelijk was, terwijl de overgrote meerderheid van het volk verzonken bleef in een bijgeloof, dat bestond uit verkeerd begrepen brokken christelijk onderwijs, magische praktijken en heidense voorstellingen.

Duffy verwerpt deze scheiding tussen de vroomheid van de elite en het bijgeloof van het volk. In het Engeland van de late Middeleeuwen werden de belangrijkste religieuze symbolen en beelden door iedereen gedeeld. De traditionele godsdienst verkeerde niet in een crisis. In de vijftiende en zestiende eeuw is er een grotere betrokkenheid van leken bij de godsdienst te bespeuren, maar die mag niet beschouwd worden als een voorbereiding van het protestantisme. De bestaande vroomheid bleek zeer wel in staat zich aan te passen aan deze nieuwe omstandigheden. De Reformatie was een breuk en verwoestte een vrijwel algemeen aanvaarde, geliefde en levenskrachtige godsdienst.

SOBERE MORAAL

Dat is een radicale stelling, die door Duffy met veel emotie en eruditie naar voren wordt gebracht. De belangrijkste methode waarmee hij probeert te achterhalen op wat voor manier gewone mensen hun godsdienst beleefden, is de analyse van de grote christelijke rituelen: de vormgeving van het kerkelijk jaar en de verschillende liturgische handelingen. Terecht kapittelt hij de verwaarlozing door moderne onderzoekers van de volkscultuur van deze alledaagse vormgeving van de godsdienst. Zo vindt men in Keith Thomas' beroemde Religion and the Decline of Magic geen analyse van de liturgie, terwijl in Ariès' studies van de dood de verschillende kerkelijke rituelen rond het sterven niet diepgravend besproken worden. Duffy wil deze fout niet maken. Het grootste gedeelte van de eerste vierhonderd bladzijden van zijn boek is gewijd aan beschrijvingen van de verschillende kerkelijke handelingen en manieren waarop leken daarbij betrokken waren.

Het kerkelijk jaar en de christelijke feesten markeerden de tijd, zowel voor stedelingen als voor bewoners van het platteland. Een niet-christelijke manier om de voortgang van het jaar te ervaren of te beschrijven bestond niet. In het kerkelijk jaar vonden steeds kleine veranderingen plaats. Daarbij speelden wensen van de leken altijd een belangrijke rol.

De betekenis van de belangrijke feesten werd de gelovigen voorgehouden door de geestelijkheid. In de dertiende eeuw had de Engelse kerk een soort catechetisch programma opgesteld, dat de kennis omschreef waarover iedere christen moest beschikken. Dat programma lijkt, voorzover daar op grond van indirecte aanwijzingen over te oordelen valt, aan het eind van de Middeleeuwen redelijk geslaagd. Nu was dit programma zeer klein: de tekst van enkele gebeden en een geloofsbelijdenis.

Uit de vijftiende eeuw stammen een aantal dagboeken van leken, waarin deze ook de hun interesserende godsdienstige zaken aantekenden. Dat waren niet de meditaties en het geestelijk zelfonderzoek die in de vroomheidsliteratuur van de kloosters zo geliefd waren. De leken richten zich op de tastbare zaken van het geloof, op de feesten en de vasten, op de jaarlijkse liturgie. Zij zijn geen ketters en koesteren geen afkeer van de sacramenten. Ze zijn bang voor het vagevuur, en weten dat de beste manier om het te vermijden het geven van aalmoezen is. De kern van hun vroomheid lijkt te bestaan uit een sobere, burgerlijke moraal. In meerdere boeken komt een rijmpje voor waarin zo'n geloof wordt samengevat: First arise early/Serve thy God duly/And the world busily.

HET PARADIJS

De meest tastbare godsdienstige zaak was de mis, waarin de verlossing van de wereld door Christus herhaald en vruchtbaar gemaakt werd voor alle gelovigen. In de gebeden en preken rond de mis werd eindeloos herhaald dat het sacrament moest leiden tot gemeenschap. Uit tal van incidenten is duidelijk dat de mis ook werkelijk ervaren werd als de belangrijkste uitdrukking van de plaatselijke gemeenschap, met alle conflicten van dien. Op Allerheiligen 1522 sloeg John Browne in Theydon-Gernon het plankje dat tijdens de mis aan de gelovigen werd rondgegeven om het te kussen stuk op het hoofd van de koster, omdat deze het niet aan hem als eerste had aangereikt.

Juist omdat de mis uitdrukking behoorde te geven aan de gemeenschap, kon ze dienen om het maatschappelijk onderscheid en de sociale hiërarchie te onderschrijven. Juist daarom had ze werkelijk greep op de verbeelding van de leken. De mate waarin de laat-middeleeuwse Engelsen belang stelden in dit aspect van hun godsdienst, blijkt uit de manier waarop ze in hun kerken investeerden. In de anderhalve eeuw voor de Reformatie werd twee derde van alle parochiekerken ingrijpend verbouwd. Bovendien werden ze voorzien en versierd met een verbijsterde hoeveelheid zaken en kunstvoorwerpen. Altaren, liturgische gewaden, beelden, schalen werden geschonken in overvloed.

Al deze geschenken zijn wel beschouwd als het kopen van het paradijs. Zulke giften waren bedoeld om de vooraanstaande positie van de overledene te laten blijken en zijn ziel korter in het vagevuur te doen verblijven. Maar ze waren ook bedoeld om van nut te zijn voor de gemeenschap en een teken van het belang dat de gelovigen hechtten aan samenwerking en wederkerigheid in het zoeken van heil. De overledene deed een gift aan de parochie, en verwachtte dat zijn gemeenschap hem zou gedenken. Duffy is heel goed in het oproepen van de verschillende motieven die blijken uit deze giften, van het verlangen om na de dood herinnerd te worden tot de overtuiging dat de parochie juist als gemeenschap in staat was bij te dragen aan het snel verlaten van het vagevuur.

PILAREN VAN VROOMHEID

Even goed is hij in de analyse van de gebedenboeken voor de leken. Deze boeken bevatten de Latijnse teksten die in de liturgie gebruikt werden, met stukjes Engels en plaatjes. Voor een deel waren dergelijke boeken simpelweg heilige voorwerpen, die vereerd konden worden als dragers van religieuze macht, zoals de heiligenbeelden in de kerken. Maar ze konden de leken ook betrekken bij de liturgie, zoals die door de geestelijken voltrokken werd. De vroomheid die erin verspreid werd, was die van de middeleeuwse theologie en gericht op het lijden van de mens Christus en de smart van Maria.

En net zoals deze ongetwijfeld tot de hoge theologie behorende voorstellingen tot in de simpelste gebedenboeken en aantekeningen te vinden zijn, zo zijn omgekeerd wel als magisch voorgestelde zaken te vinden in bronnen die verder theologisch subtiel en orthodox zijn. De gebeden van Karel de Grote, die de keizer in een brief uit de hemel zouden zijn toestuurd, en die de gebruiker ervan de meest buitengewone zaken beloven, zijn niet alleen te vinden in het aantekeningenboek van een simpele kerkmeester op het platteland van Norfolk, maar ook in de grote handgeschreven verzamelingen van laat-middeleeuwse devotie en in de gebedenboeken van zulke pilaren van nette vroomheid als Lady Margarett Beaufort.

Terecht wijst Duffy erop, dat men dit niet te vreemd moet vinden. De voorstelling dat de mensheid in lijf en ziel wordt aangevallen door de demonische krachten, die bezworen kunnen worden door het aanroepen van de juiste formule of het juiste gebruik, was onderdeel van de liturgie en lag ten grondslag aan de plechtigste momenten daarvan. De hele orde van het doopritueel benadrukte de objectieve kracht van heilige formules en gebaren over de duivel. In de liturgie werd voor de mis zout en water gezegend, en het was bedoeld dat een ieder dat kon meenemen om thuis te beschikken over krachtdadige middelen om de boze te weren.

Duffy illustreert de onscheidbare band tussen een inwendige, overpeinzende en een materialistische, op wonderen gerichte vroomheid met een analyse van de ""Openbaring van de Honderd Onze Vaders''. Dat is een van de vele meditaties over het lijden van Christus. Iedere dag van de week dient de vrome te denken aan een van de wonden van Christus, en honderd Onze Vaders te bidden. De manier waarop men zich kan concentreren om alleen aan Christus te denken wordt benadrukt. De devotie werd verspreid door de Engelse karthuizers, een orde die een cruciale rol speelde in de verspreiding van inwendige vroomheid in Engeland. Met het elitaire karakter van deze devotie is niets mis.

Maar de tekst in een vijftiende-eeuws handschrift wordt vooraf gegaan door een aanbeveling in de vorm van een verhaal hoe een priester die het gebed van de karthuizers geleerd had, het verspreidde onder zijn vrienden, waaronder een boer, die het gebruikte toen een koe van hem niet wilde genezen. Het prompte wonder werd door de karthuizers toegevoegd aan het manuscript.

RADICALE OPRUIMING

De laatste tweehonderd bladzijden van Duffy's boek beschrijven de teloorgang van al de objecten waarop deze godsdienst berustte en van de gebruiken waarin ze zich uitdrukte. Hendrik de Achtste wilde een mannelijke troonopvolger en dus een scheiding van zijn onvruchtbare vrouw. Zonder breuk met Rome was de scheiding niet mogelijk en daarom brak hij met Rome. Hij liet zichzelf tot hoofd van de Engelse kerk verklaren. Een groot deel van de rijkdom van de kerk werd genaast.

Hendrik VIII was zeer conservatief - hij had nog tegen Luther geschreven - en daarom bleef het aantal veranderingen in de liturgie tamelijk beperkt. Omdat de breuk met Rome rechtvaardiging behoefde, vonden protestantse gedachten ingang en maakte de kroon gebruik van overtuigde protestanten. Daarmee werd de reformatie een van de inzetten van de woeste politieke strijd aan het Engelse koninklijke hof.

Het religieus heen-en-weer van deze strijd bij Hendriks leven veranderde na zijn dood in volledige veranderingen van koers. Tijdens het korte bewind van zijn minderjarige zoon Edward VI, van 1547-1553, voerde de heersende factie op radicale wijze de hervorming door. Edward werd opgevolgd door zijn zus Mary. Tijdens haar vijfjarig bewind werd het katholicisme weer ingevoerd. In 1559 tenslotte kwam het derde kind van Hendrik VIII, zijn dochter Elizabeth aan het bewind. Zij zou meer dan veertig jaar heersen en onder haar bewind verwierf de Engelse kerk definitief haar gematigd protestants karakter.

Duffy verhaalt in het tweede deel van zijn boek uiterst zorgvuldig en enigszins treurend de maatregelen die tegen de traditionele godsdienst zoals die door het volk beleefd werd, genomen werden. Vooral onder Edward werd radicaal opgeruimd. De kerken werden gereinigd van alles wat afdeed aan de prediking. Juist al die dingen, die door de gelovigen aan hun kerk waren geschonken, van kapellen met heiligenbeelden tot fraaie gewaden voor de priester, werden verboden, en, voorzover kostbaar, genaast. Al die gebruiken, waaraan de hele plaatselijke gemeenschap had meegedaan, werden afgeschaft, van processies tot vasten, van het religieus herdenken van de doden tot het uitdelen van gezegend brood.

Duffy beschrijft in deze politiek alleen het negatieve, de verwerping van al het uitwendige in de godsdienst, de weigering betekenis te zien in handelingen of voorwerpen. Gezien vanuit de parochies was het protestantisme iets dat van boven kwam en alleen maar vernietigde, zonder er iets waardevols voor in de plaats te stellen. Het zou tot ver in het bewind van Elizabeth duren voor het protestantisme op enige schaal op werkelijke aanhankelijkheid onder de bevolking kon rekenen.

Hij is heel goed in het afrekenen met de argumenten voor een vroege verspreiding van het protestantisme. Was Hendrik VIII enkele maanden eerder gestorven, toen een katholieke factie aan het hof nog de overhand had, dan was de Engelse kerk teruggekeerd tot Rome zonder dat de gewone gelovigen veel van de kortstondige breuk gemerkt hadden. Wat zij onder Edward meemaakten, nam hen niet voor het protestantisme in. Onder Mary, zo tracht Duffy met tal van voorbeelden aannemelijk te maken, deden vrijwel alle Engelse parochies hun uiterste best de oude eredienst te herstellen. Had niet Elizabeth, maar zij veertig jaar geregeerd, dan was Engeland zonder al te grote moeite teruggekeerd tot het katholicisme.

GELIEFD ZELFBEELD

Een dergelijke interpretatie brengt verschillende problemen met zich mee. De eerste is, om zo te zeggen, religieus-moreel van aard. Blijkbaar kunnen nieuwe loyaliteiten ontstaan en oude identiteiten volledig verdwijnen, zonder dat daarbij de waarheid of de verlangens van het volk ook maar een flard van een rol spelen. Van het eind van de zestiende tot ver in onze eeuw was voor de Engelse bevolking protestantisme en nationale identiteit zeer nauw verweven. Dat die identiteit met harde hand van boven is opgelegd, is niet onvoorstelbaar, maar wel in directe tegenspraak met een geliefd zelfbeeld van het protestantisme, als de beweging van de vrijheid en het volk tegen de onderdrukking en de clerus.

Een groter probleem is historiografisch van aard. Duffy's interpretatie legt meer nadruk op de rol en het belang van de centrale overheid en de hoge politiek dan in de meeste moderne geschiedenis gebruikelijk is. Nergens behandelt hij expliciet de vraag waarom de Engelse overheid zo weinig tegenstand ondervond toen ze zo radicaal brak met een godsdienst die naar zijn eigen zeggen zo werkelijk populair was. Dit is een reëel probleem. Het Engeland van de Tudors werd met harde hand centraal bestuurd, maar de machtsorganen van de staat waren, in vergelijking met waar een moderne overheid over beschikt, zeer zwak. De Engelse kroon kon niet regeren zonder de medewerking van de lokale elites. Die medewerking werd vrijwel altijd verschaft, en wanneer de kroon bijvoorbeeld beval dat alle heiligenbeelden uit de kerken verwijderd moesten worden, dan was dat op de voorgeschreven datum in alle meer dan tienduizend Engelse kerken ook gebeurd.

De traditionele verklaring hiervoor luidt dat niemand werkelijk gehecht was aan wat verdween en dat er in ieder geval een behoorlijke afkeer van de geestelijkheid bestond. Duffy toont overtuigend een gehechtheid aan bepaalde oude religieuze vormen aan. Maar onder de bijna vijftienhonderd ingangen van het zakenregister ontbreekt het woord "anti-clericalisme'. Andere revisionisten van de Engelse reformatiegeschiedenis hebben onlangs betoogd dat er juist heel weinig spanning tussen geestelijkheid en leken bestond. Duffy gaat op de hele kwestie niet in, vermoedelijk omdat hij die niet van belang acht voor zijn eigenlijke onderwerp, de vitaliteit en ondergang van de traditionele godsdienst.

NIET VEELEISEND

Deze onevenwichtigheid is een werkelijke zwakte van het boek. Het gemak waarmee de kroon erin slaagde haar religieuze politiek door te voeren zegt ook iets over wat de traditionele godsdienst voor de gelovigen betekende. Uit Duffy's eigen gegevens wordt duidelijk dat die traditionele godsdienst bovenal een lokaal karakter droeg en voornamelijk bestond uit collectieve gedragingen. Maar ze stichtte geen bijzondere groepsidentiteit binnen de landelijke samenleving en kon niet in leerstellingen worden uitgedrukt. Godsdienst was simpelweg een van de vormen van plaatselijk collectief gedrag.

Zo'n soort godsdienst is vanzelfsprekend en dus niet veeleisend. De traditionele godsdienst omlijstte het leven in de plaatselijke gemeenschap, maar zonder die van de buitenwereld af te grenzen. Ze verleende noch individuen, noch die lokale gemeenschap een eigen identiteit door hen af te grenzen tegen anderen. De traditionele godsdienst legitimeerde ook niet de bovenlokale orde. De kroon bezat in Engeland een eigen gezag, dat algemeen erkend werd. Hoe zou vanuit zo'n godsdienst ooit verzet tegen de kroon, de bron van alle rechtmatige orde, verwoord kunnen worden?

De door Duffy zo elegisch beschreven traditionele godsdienst met haar lokale karakter was ten dode opgeschreven toen eenmaal de kroon er zich mee ging bemoeien. Na de Reformatie wordt godsdienst iets anders. Ook het katholicisme dat men onder Mary trachtte te herstellen droeg niet meer dit lokale, onbewuste karakter.