Democratie, een cultuurgebonden fenomeen

De opstelwedstrijd Democratie, een internationale competitie voor jongeren tot 23 jaar die NRC Handelsblad voor Nederland organiseerde, is door 85 inzenders beantwoord. Winnaar is Jolanda G. Koorevaar, een 19-jarige studente sociologie uit Krimpen aan den IJssel. Haar inzending werd door de jury gekarakteriseerd als helder, origineel en in overeenstemming met de vraagstelling. Met de prijswinnaars uit de andere deelnemende landen maakt zij in de zomer van 1993 een reis naar Griekenland.

De jury, bestaande uit mr. J.L. Heldring, mr. H.D. Tjeenk Willink en dr. J. Zijlstra, kende bovendien twee eervolle vermeldingen toe aan B. Chayes (Amsterdam) en J.C. Luyendijk (Amsterdam). Zij krjgen door het Haagse Voorlichtingsbureau van het Europees Parlement een bezoek aan het Europees Parlement in Straatsburg aangeboden.

In het Nederlands woordenboek van Koenen wordt democratie gedefinieerd als: ""een staatsvorm die aan het gehele volk invloed op de regering toekent en o.a. het recht op vrije meningsuiting, persoonlijke vrijheid en gelijkheid van allen voor de wet erkent.''

Een staatsvorm dus die in de ogen van de moderne westerse mens gebaseerd is op rechtvaardige principes en die in de westerse wereld in het algemeen naar tevredenheid van de meerderheid van de bevolking wordt gebruikt.

Als deze staatsvorm op zulke goede principes gestoeld is, waarom zijn democratieën dan zo moeilijk te vestigen? Om een samenleving democratisch te kunnen besturen moet aan bepaalde voorwaarden worden voldaan.

Ten eerste moet de bevolking invloed kunnen hebben op de regering. In landen met een heersende elite zal deze bereid moeten zijn procedures te ontwikkelen die het volk de mogelijkheid geven macht te krijgen die ten koste gaat van die van henzelf. Kortom, de leiders zullen bereid moeten zijn hun macht afhankelijk te maken van en te delen met de massa.

Als deze bereidheid er is en er mogelijkheden gecreëerd zijn om het volk deel te laten nemen in het politieke spel, moeten zij wllen en praktisch kùnnen participeren.

Om te wllen is er een cultuur nodig van betrokkenheid bij de politiek, een cultuur waarin men zich bewust is van de mogelijkheden tot participatie en - heel belangrijk - waarin men zich bewust is van de gelijkwaardigheid van verschillende etnische, religieuze of andere groeperingen.

Om praktisch te kùnnen participeren moet men tijd hebben, inzicht hebben in het politieke gebeuren en moet men verzekerd zijn van een minimum aan basisbenodigdheden zoals onderdak en levensmiddelen. Mensen die bezig zijn met een strijd tot overleven hebben immers noch de tijd, noch de energie voor participatie.

Een heel andere voorwaarde is de volgende: om een democratisch bestuur te kunnen vormen moet er sprake zijn van centralisering van macht. Er moet één orgaan zijn (dat al of niet gedecentraliseerd of gedeconcentreerd opereert) waaraan het volk de autoriteit schenkt om bindende beslissingen voor de samenleving te nemen.

De vier voorwaarden: 1) een elite die bereid is haar macht en invloed te delen met de massa; 2) een volk dat wil participeren in de politiek; 3) een volk dat praktisch kan participeren in de politiek; 4) een volk dat aan één instelling het openbaar bestuur in handen geeft, zijn aanwezig in de moderne, westerse maatschappij.

Late middeleeuwen

Om enig begrip te krijgen voor het feit dat er moeilijkheden om de hoek komen kijken als we proberen om de democratie te "exporteren', is het nuttig de historisch/culturele achtergrond van onze moderne maatschappij te bekijken.

Ons verhaal begint bij de late middeleeuwen met de opkomst van de burgerij die zich vestigt in de steden, zich afzet tegen de feodale machthebbers en die een belangrijk deel van het kapitaal in handen heeft. Zij zijn verantwoordelijk voor het welslagen van de Franse revolutie en de verbreiding van het "vrijheid-, gelijkheid-, broederschap'-principe en de romantisch-liberale ideeën over het individu dat belangrijker gevonden wordt dan de groep.

Daarbij komt de industriële revolutie waarbij vele arbeiders verzekerd zijn van een laag, maar wel vast inkomen, waardoor hun eerste levensbehoeften gegarandeerd worden.

Door de industrialisatie komt het urbanisatie- en verstedelijkingsproces op gang (de arbeiders vestigen zich immers in de buurt van de fabrieken). In die steden ontwikkelt zich een cultuur waarin traditie vervangen wordt door functionaliteit. Niet de vraag ""wat is de gewoonte'', maar de vraag ""wat levert het meeste op'' wordt bepalend voor het gedrag van mensen.

De stadscultuur schat kapitaal, wetenschap en technologie zeer hoog in en maakt zich los van de eenvoudige, inzichtelijke, traditionele cultuur van het platteland. Met het vorderen van de tijd gaat zij deze zelfs overheersen.

De complexe stedelijke maatschappij waarbinnen vele individuen wonen, maar waarin het regulerende instituut traditie aan gezag heeft ingeboet, vraagt om deskundige bestuurders. Bestuurders die door de inmiddels door alle veranderingen mondig geworden burgers geaccepteerd zullen moeten worden.

Ter vervanging van de traditie en het traditionele gezag, ontstaat er een bureaucratie met legaal gezag. Leiding geven en macht hebben wordt in de moderne maatschappij legitiem gevonden als het recht hiertoe ontleend wordt aan centraal gestelde, geschreven wetten en als men opereert binnen een hiërarchische organisatie, waarbinnen op basis van deskundigheid (= de capaciteit om uit te maken wat in een bepaalde situatie het meest functioneel is) gerecruteerd en gepromoveerd wordt en waarbinnen participanten en cliënten zonder aanzien des persoons volgens van tevoren vastgelegde regels en procedures behandeld worden.

De bestuurlijke organisatie van de moderne, complexe, westerse maatschappij moet dus zowel bureaucratisch (legaliteits-eis) als democratisch (autoriteits-eis) zijn.

Samenwerking

Eerder heb ik gesteld dat burgers autoriteit moeten toekennen aan één organisatie die dan het openbaar bestuur verzorgt. Dat dit in het Westen gebeurd is, kunnen we ook verklaren vanuit de historisch/culturele ontwikkelingen.

We hebben gezien dat de moderne samenleving gespitst is op functionaliteit. In de tijd van de kleine vorstendommen ging veel energie zitten in de verdediging van land en volk tegen de vele vijanden. Energie die net zo goed in de produktie van levensmiddelen, of andere nuttige zaken gestoken kon worden. Als het ene vorstendom met het andere fuseerde hadden beide een vijand minder en konden zij het grotere rijk verdedigen met minder mankracht dan wanneer zij beide afzonderlijk opereerden. Conflicten neutraliseren met als doel samenwerking bleek effectief!

Centralisatie van macht kwam tot stand omdat dit winst voor de samenleving betekende en werd mogelijk door de voortschrijdende techniek die communicatie, vervoer en informatie-overdracht over langere afstanden makkelijker maakte.

Onze democratie hebben we volgens deze theorie dus te danken aan zowel de Franse revolutie, als het liberale en romantische ideeëngoed (die zorgden voor een cultuur waarin mensen elkaar als gelijkwaardige wezens beschouwden en waarin men de verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van het individu benadrukte wat er toe leidde dat mensen er eerder toe geneigd waren ook op politiek gebied voor zichzelf op te komen, kortom er ontstond een cultuur waarbinnen de democratie zich kon gaan ontwikkelen), als ook aan het urbanisatieproces (dat zorgde voor een sfeer waarin de elite om gezaghebbend te kunnen optreden haar macht moest delen met het volk), als ook aan de industriële revolutie (die zorgde voor een maatschappij waarin een groot deel van de bevolking verzekerd was van zijn eerste levensbehoefte en waaraan we de technologische revolutie te danken hebben die op haar beurt weer een rol heeft gespeeld binnen het proces van de centralisering van macht).

Natuurlijk hebben deze factoren allemaal ook weer op elkaar ingewerkt, eigenlijk kun je niet precies zeggen welk proces welke gevolgen heeft gehad, maar omwille van de duidelijkheid heb ik even de werkelijkheid versimpeld.

Etnocentrisch

Democratisering is - zo veel is nu wel duidelijk - dus een eeuwenlang proces geweest. Als we nu proberen deze historisch gegroeide staatsvorm te exporteren naar andere niet-westerse landen die een geheel andere cultuur en geschiedenis kennen, moeten we rekenen op moeilijkheden. Democratie is zowel cultuurgebonden (de vrijheid-, gelijkheid-, broederschapsgedachte, het individualisme, de verzwakte autoriteit van de traditie etc.) als maatschappij-gebonden (het streven naar functionaliteit, technologische innovaties, de bureaucratie, het centrale, geschreven recht, een legaal openbaar bestuur etc.).

Als wij ons dit realiseren, zouden wij ons af moeten vragen of we niet erg etnocentrisch zijn als we stellen dat democratie stoelt op goede principes. Wat goed is in onze ogen, volgens onze normen en waarden, hoeft niet goed gevonden te worden door mensen uit andere landen, met andere culturen. Bovendien hoeft wat goed is in onze situatie niet goed te zijn voor landen die in andere situaties verkeren.